<Hit 373 of 2965

>

p1+
Monsieur le chanoine

Je viens de recevoir de Mr Capelle, ouverte par lui, votre honorée lettre du 18 courant.

Monseigneur l’Eveque a fait demander récemment les pièces relatives à l’huile de S. Walburge[1] je les ai remises à Mr Duclos;[2] à ces pièces étaient jointes les pièces concernant les indulgences[3]

Je ne sais, Monsieur le chanoine, comment on s’est règlé quant à la publication de ces indulgences, qui, je suis sur, n’ont pas été renouvelées en temps, puisque, à mon arrivée à la paroisse, la confrerie ne comptait plus qu’un seul membre, à savoir Mr le curé.

Avant son décès[4] je me suis inscrit et, tant avant qu’après le dit décès, d’autres membres se sont joints à nous jusqu’a former les éléments d’une nouvelle confrerie, qui est, si je puis dire ainsi, constitué, civilement laïquement. Quant au reste, l’Eglise par l’intermédiaire de son digne chapelain, feu Mr Brenaert et actuellement Mr Capelle a annuellement publié l’affiche et receuilli p2des offrandes et fait quelques uns des anciens offices.

Quant au confreries éteintes, Mr le chanoine, S. Walburge en compte encore. Il y a la confrerie de notre dame van den tuin, possédant une image miraculeuse, et datant de 1599. Il n’y a plus depuis longtems d’autre administration que celle de l’un ou de l’autre des vicaires qui tient les fonds et envoie chaque année une quittance à ceux des confreres encore vivants pour la cotisation servant a exonérer les messes et services.

La fête et l’indulgence se publie chaque année par affiche, comme plus haut.

J’ai recueilli tout ce qui est encore trouvable de ces deux confreries documents, livres, meubles etc. et je me proposais, avec l’assentiment deja donné du curé, vicaire et confrères de demander l’autorisation de réunir les deux confréries, sous le nom de Notre Dame et S. Walburge, de demander le renouvellement des indulgences ainsi que d’introduire tel règlement qui peut empecher la ruine totale de l’une et de l’autre confrerie. Si vous p3permettez Mr le chanoine, je vous communiquerai les pièces concernant notre dame van den tuin, et je suis votre tout dévoué en Jésu Christ

Guido Gezelle

Annotations

[1] Op 12 oktober 1865 werd Guido Gezelle aangesteld als onderpastoor op de Sint-Walburgaparochie te Brugge. Kort daarna blies hij als proost de eeuwenoude broederschap van Sint-Walburga nieuw leven in. Hij liet ook de relikwie uit de Sint-Walburgakerk opnieuw aanvullen met verse olie uit Duitsland. Als proost liet hij een inventaris maken van alle Brugse Walburgarelikwieën en had hij contact met bisschoppelijk secretaris Franciscus Nolf over de geldigheid van de pauselijke aflaten die er ooit aan verbonden waren. Zie brief van F. Nolf aan G. Gezelle van 18/09/1868. In de brief van 19/09/1868 volgt een negatief antwoord van F. Nolf aan G. Gezelle. (Uit: E. Depuydt, Gezelle en de heilige olie van Sint-Walburga. In: Biekorf: 124 (2024), p.558-561).
[2] Mgr. Faict had Adolf Duclos op 27 juni 1868 aangesteld tot bewaarder van de heilige relikwieën en ondersecretaris in het bisdom.
[3] Een ‘indulgence’ of aflaat is in de rooms-katholieke traditie een kwijtschelding van straf in het hiernamaals voor begane zonden. Men kon deze verkrijgen door goede werken, zoals deelname aan religieuze activiteiten of het geven van giften. De toekenning ervan was administratief strikt georganiseerd.
[4] Pastoor Philippe Van Houver overleed op 18 november 1867.

Register

Correspondents - persons

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NameNolf, Franciscus-Xaverius
Dates° Kortrijk, 03/05/1811 - ✝ Brugge, 01/07/1884
SexMannelijk
Occupationpriester; archivaris; bisschoppelijk secretaris
BioFranciscus-Xaverius Nolf werd geboren op 3 mei 1811 in Kortrijk als zoon van Leonardus Nolf, handelaar, en Maria-Theresia Vercruysse. Hij werd op 19 december 1835 priester gewijd te Brugge en behaalde op 23 juli 1838 het baccalaureaat in kerkelijk recht aan de Universiteit van Leuven. Op 21 september 1839 werd hij aangesteld als archivaris van het bisdom Brugge, waarna hij in 1849 pro-secretaris en op 29 december 1853 secretaris van het bisdom werd. Op 18 oktober 1856 werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal en vanaf 25 juli 1866 officiaal van het bisdom. Hij trad op 17 juni 1869 toe tot de bisschoppelijke raad en werd prosynodaal examinator. Op 24 november 1873 werd hij benoemd tot titulair kanunnik van Sint-Salvator, en vanaf 29 december 1875 was hij secretaris van het kapittel. Franciscus-Xaverius Nolf overleed op 1 juli 1884 in zijn huis in de Korte Vuldersstraat te Brugge.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent

Sender

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Recipient

NameNolf, Franciscus-Xaverius
Dates° Kortrijk, 03/05/1811 - ✝ Brugge, 01/07/1884
SexMannelijk
Occupationpriester; archivaris; bisschoppelijk secretaris
BioFranciscus-Xaverius Nolf werd geboren op 3 mei 1811 in Kortrijk als zoon van Leonardus Nolf, handelaar, en Maria-Theresia Vercruysse. Hij werd op 19 december 1835 priester gewijd te Brugge en behaalde op 23 juli 1838 het baccalaureaat in kerkelijk recht aan de Universiteit van Leuven. Op 21 september 1839 werd hij aangesteld als archivaris van het bisdom Brugge, waarna hij in 1849 pro-secretaris en op 29 december 1853 secretaris van het bisdom werd. Op 18 oktober 1856 werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal en vanaf 25 juli 1866 officiaal van het bisdom. Hij trad op 17 juni 1869 toe tot de bisschoppelijke raad en werd prosynodaal examinator. Op 24 november 1873 werd hij benoemd tot titulair kanunnik van Sint-Salvator, en vanaf 29 december 1875 was hij secretaris van het kapittel. Franciscus-Xaverius Nolf overleed op 1 juli 1884 in zijn huis in de Korte Vuldersstraat te Brugge.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent

Place

NameBrugge
SettlementBrugge

Name - person

NameDuclos, Adolf Juliaan
Dates° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
SexMannelijk
Occupationpriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NameFaict, Joannes Josephus
Dates° Leffînge, 22/05/1813 - ✝ Brugge, 04/01/1894
SexMannelijk
Occupationpriester, professor, superior, erekanunnik, vicaris-generaal, coadjutor, bisschop
BioIn 1834 was J.J. Faict, zoon van Henri Faict, brouwer, en Marie Hellinck, laureaat van de retorica aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij werd doctor in de theologie, wijsbegeerte en letteren. Op 09 juni 1838 werd hij te Brugge door Mgr. Boussen tot priester gewijd. Hij werd professor kerkgeschiedenis en wetenschappen (12/01/1839) en professor theologie (oktober 1840) aan het grootseminarie in Brugge. Vanaf augustus 1849 tot oktober 1856 was hij superior van het kleinseminarie te Roeselare. Hij werd erekanunnik (29/12/1853) en vicaris-generaal van Mgr. Malou op 18/10/1856. In september 1862 werd hij huisprelaat van paus Pius IX en op 25/02/1864 coadjutor van Mgr. Malou. Hij was bisschop van Brugge van 18/10/1864 tot aan zijn dood in 1894.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezelleoverste; correspondent
SourcesB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NameFrutsaert, Augustin
Dates° St.-Omaars, 22/06/1822 - ✝ Brugge, 17/06/1897
SexMannelijk
Occupationpriester; superior
BioAugustin Frutsaert werd priester gewijd te Brugge op 19 december 1846. Hij was leraar (1846) en superior (1853) aan het college van Poperinge. In 1856 werd hij superior van het kleinseminarie te Roeselare, waar Gezelle les gaf. Daarna was hij achtereenvolgens pastoor te Ploegsteert (1859), Dottenijs (1864) en van St.-Walburga, Brugge sinds 25/06/1868. Daar vond hij Gezelle terug als onderpastoor. Frutsaert was er tevens bestuurder van de zwarte zusters. Hij stierf te Brugge op 17 juni 1897.
Links[odis]
Relation to Gezellesuperieur; correspondent
SourcesB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NameVan Houver, Philippe
Dates° Westouter, 03/10/1792 - ✝ Brugge, 18/11/1867
SexMannelijk
Occupationpriester; onderpastoor; pastoor
BioPhilippe Van Houver was de zoon van Petrus en Maria Beuns. In 1813 weigerde hij als seminarist de benoeming van de la Brue te erkennen en werd hij naar Wezel verbannen. Hij ontving zijn priesterwijding op 23 december 1815 te Doornik. Hij was onderpastoor te Vlamertinge (08/07/1816) en pastoor te Poperinge (30/06/1824). Op 17 september 1834 werd hij pastoor te Brugge op de Sint-Walburgaparochie waar Guido Gezelle later ook onderpastoor was.
Links[odis]
NameCappelle, Karel; Charles Louis
Dates° Menen, 16/01/1811 - ✝ Brugge, 22/8/1896
SexMannelijk
Occupationpriester
BioKarel Cappelle is geboren in Menen op 16 januari 1811. Na zijn priesterwijding op 21 mei 1842 werd hij geestelijk koster op de St. Michielsparochie te Roeselare. Op 25 mei 1855 werd hij kapelaan van de kathedraal en van de kapel van H. Bloed, Brugge. Op 24 september werd hij opnieuw geestelijk koster van St. Walburga, Brugge. Vanaf 22 februari 1875 was hij pastoor van het kerkhof te Brugge. Hij nam ontslag op 3 september 1884 en verbleef verder te Brugge, waar hij op 22 augustus 1896 overleed. Op de Sint-Walburgaparochie was hij een collega van onderpastoor Guido Gezelle. Hij woonde in de Hoornstraat 3 vlak bij Gezelle. Bij zijn vertrek uit Brugge kreeg Gezelle een grote som van Capelle. Waarschijnlijk ging het om een uitkering van Gezelles aandeel in de gedeelde ontvangsten voor erediensten.
Links[odis]
Relation to Gezellecollega
NameBreynaert, Désiré Augustin
Dates° Veurne, 26/11/1802 - ✝ Brugge, 05/07/1864
SexMannelijk
Occupationpriester; geestelijk koster
BioDesiderius Breynaert werd geboren in Veurne als zoon van Jacobus-Andreas Breynaert, een rentenier, en Maria-Theresia Morel. In 1826 werd hij in Mechelen tot priester gewijd en begon hij in januari 1827 zijn loopbaan als geestelijk koster van de Sint-Walburgakerk in Brugge. Hij was daarbij onder andere verantwoordelijk voor het publiceren en ophangen van de affiches van de Broederschap van Sint-Walburga. In 1859 werd hij benoemd tot habituarius van dezelfde kerk. Bij zijn overlijden in 1864 diende hij als kerkmeester en schatbewaarder van de Sint-Walburgaparochie in Brugge. Na zijn dood werd hij opgevolgd door Karel Cappelle, een collega van Guido Gezelle.
Links[odis]

Name - institute

NameBroederschap van St.-Walburga onder de titel van hare Heilige Olie
DescriptionDe broederschap van de Broederschap van St.-Walburga onder de titel van hare Heilige Olie werd in 1670 ingericht door pastoor Petrus Aerts, nadat hij een jaar eerder de Heilige olie had laten overbrengen uit Duitsland door schermmeester Fovin d’Hasque. Het betrof een confrerie van de Sint-Walburgaparochie te Brugge. Gezelle trachtte ze nieuw leven in te blazen in 1868. Op dat ogenblik was het twijfelachtig of pauselijke aflaten die er ooit aan verbonden waren nog geldig waren.
Dating1670-
NameBroederschap van O.-L. Vrouw van den Thuyn
DescriptionDe Broederschap van O.-L.-Vrouw van den Thuyn in de Sint-Walburgakerk werd in 1697 beschreven door pastoor Robert Maes in het werk De groote Eere ende Lof toegeeygent aen de H. Maget Maria (geseyt O.L. Vrouwe van den Thuyn), met diversche geschiedenissen dan het beeldt van deze H. Maegt ten jaere 1597 devotelijck wierdt aensocht in de Kercke van S. Walburghe. Centraal in de devotie stond een mirakuleus Mariabeeld, dat al sinds 1597 vereerd werd. In 1866-68 probeerde Guido Gezelle de broederschap nieuw leven in te blazen door haar samen te voegen met die van Sint-Walburga. Hij schreef hij erover in Rond den Heerd en liet het boekje van pastoor Maes herdrukken bij uitgever Edward Gailliard & Cie.
Dating1697-

Title[19/09/1868], Brugge, Guido Gezelle aan [Franciscus-Xaverius Nolf]
EditorDepuydt Els
PrincipalEls Depuydt
Funder Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
PublisherGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Publication PlaceBrugge, Gent
Publication Date2025
Availability Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CitingDepuydt Els, Gezelle Guido aan Nolf Franciscus-Xaverius, Brugge (Brugge), [19/09/1868]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2025 Available from World Wide Web: link .
SenderGezelle, Guido
Recipient[Nolf, Franciscus-Xaverius]
Date Sent[19/09/1868]
Place SentBrugge (Brugge)
AnnotationLocatie origineel: brief is aanwezig in het: Bisschoppelijk Archief Brugge: Archief m.b.t. de parochie Sint-Walburga (Brugge), F49; datum gereconstrueerd op basis van antwoord Nolf d.d.19/09/1868 die dezelfde dag antwoordt.
Physical Description
Support Material 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit
papiersoort: 3 zijden beschreven, inkt
Condition volledig
Manuscript Identification
CountryBelgië
PlaceBrugge
RepositoryBisschoppelijk Archief Brugge
ID Gezelle ArchiveBisschoppelijk Archief Brugge, Archief m.b.t. de parochie Sint-Walburga (Brugge), F49
Library recordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.26939
Content Description
IncipitJe viens de recevoir de Mr Capelle,
Text Typebrief
LanguagesFrans
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.