Dichter, pastoor
Te
Kortrijk
Gaerne maakte ik gebruik van uwe allerliefste gedichtjes Een Meezennestje, Een Bonke Kersen, Kind, en wellicht nog een enkel ander, in eene Bloemlezing welke ik voor Athenaea en Middelbaere Scholen wensch uit te geven. Zooals u bekend is, ontbreken al te dikwijls vele goede Vlaemsche schrijvers in onze schooluitgaven, terwijl men te veel Hollanders daarin opneemt. Aan dit misbruik wil ik mij niet plichtig maken, en ik durf dan ook hopen, dat het u zal gelieven mij te veroorloven de gemelde stukjes een plaats te geven in mijn boek. Dat gij ongemeen veel werk hebt, weet ik. Ongaerne zou ik u dus last veroorzaken. Daerom durf ik u ‘t volgende voorstellen: indien gij mij op deze kaart niet antwoord (sic), dan is dit mij een teeken, dat gij – en ik hoop het vuriglijk, - toestemt.
Meer dan een jaar geleden was ik zo vrij U iets over Loquela te zenden,[2] en ik heb er nooit iets over vernomen, en vrees fel dat mijn brief zal verloren geraakt zijn onderweg. - Hopende dat gij mij ‘t gevraagde niet zult weigeren,







