Wij zenden u, te gelijk met dezen brief, het oude lijstje terug vergezeld van de woorden waar gij wat meer uitleg over vroegt en een honderd twintig andere woorden die wij opgezocht hebben in Weiland, Sleeckx[2] en anderen waar wij ze niet zijn in tegengekomen.
Tegen ‘t groot verlof zullen wij onzen grooten oogst eens voor goed beginnen: met een tiental zoekers zullen wij dan de bijzonderste gewesten van 't Limburgsche kunnen uitpluizen, om na 't verlof heel den oegst, zoo goed mogelijk verzorgd en gezuiverd ter inzage naar u heen te zenden.
Met Gods hulp zal dat wel een redelijk goed begin zijn. -
Nu zoeken en schrijven wij al dit en dat op in onzen leêgen tijd, en zullen u van tijd tot tijd, als gij er iets goeds in ziet, zoo een klein paksken opzenden gelijk dit.
De weêrgezondene woorden met uwe kostelijke[3] aanteekeningen erbij bewaren wij als goud en zilver, zoo fijn. p2Wees hertelijk gedankt, goede Heer en Meester, voor die vier schoone boeken waar zoo veel schoons en goeds in te leeren is en ook nog eens voor de vaderlijke goedheid waarmeê gij onnoozele beginnelingen hebt ontvangen en zoo goed behandeld dat wij er in 't eerste en nu nog half heel door vernutseld [4]en bijkans over beschaamd waren dat wij u zoo veel hebben aangedaan, ik bijzonder die u schrijf.
Onze dankbaarheid zullen wij u toonen, nu, met goed te werken, en waar 't nog moge te pas komen, met voor u dit en dat te doen dat u zou kunnen aangenaam zijn.
Arthuur groet u van verre heel hertelijk en is blij dat hier de westvlaamsche gedachte waar men ons altijd de tegenovergestelden van geleerd had, door hem en zijne aanwijzingen zijn binnengedrongen.







