Nu dat onze feeste[1] wel gelukt is, dat wy veel en schoon en geleerd volk, tot Poperinghe, gezien hebben, zullen wy ons met iever aan ‘t werk stellen om onze rekening te vereffenen en eene gedachtenis over te laten van deze deugddoende Vlaamsche Vergadering.
Er is kwestie van betalen, maar men moeten eerst weten van geld; welnu zoudet gy dien braven heer (ik weet niet wie), die uw geld bewaard heeft, niet willen verzoeken het naar Poperinghe te sturen? Of zal hy het liever naar Blanchaert zenden en den kwytbrief by ons? p2Mr Hugo Verriest had honderd frank zegdet gy, maar hy gebaart van niets. Moeten wy het hem vragen of zult gy ‘t hem vermanen? In alle geval, wy voorzien dat wy het zullen noodig hebben; niet dat wy verre buiten onze schatting zouden zyn, maar Blanchaert komt met eene bylage voor den dag van 400 franken. Wat zegt gy daarvan?
— De tweede zake waarmede wy ons seffens zullen bezig houden is van de verschillige aanspraken en redevoeringen in één bundel te doen drukken. Al dat gelezen is geweest, is in onze handen; wy kunnen van nu beginnen, maar wy zouden geern daarby of daarvooren nog één woordetje uitleg voegen. Kunt gy p3ons niet een “Voorwoord” zenden om aan ‘t hoofd te staan?[2] —
Ons gedacht en onze begeerte is van het hier te laten drukken; maar kunt gy my niet (omtrent) den prys van honderd exemplaren uitsteken; ik ben geheel onbevoegd in kwestie van drukken en ik en zou niet geern bedrogen zyn. Op al die dingen durf ik u een korte antwoorde verzoeken en geloof my, beste Vriend,







