<Resultaat 2435 van 2965

>

p1
Achtbare Heer en Vriend[1]

Ik leze met rechtzinnige bewonderinge uw schrijven - dat heete ik schrijven: - over de wonden[2] enz. “ontlevelingen”[3] is een prachtig woord; Egin, egins[4] is een overblijfsel van nigins, negeems, nog eens, en en[5] heeft geen uitstaan met het Engelsch again. Edeldoek, ’k wilde dat het eigentlijk zoo ware, ‘t is edel doek,[6] inderdaad, maar ’t is vast neteldoek, toile (de fil) d’orties, mousseline. Ont[7] is friesch; wij zijn halve friesen, dus zou ik het gebruiken; maar wij hebben ook, met dien zin, ons eigen woord tend (te end) bv. in ”Wacht, tend dat hij komt; blijf hier, tend da’k weêre keere” enz. Nog hebben wij, en hoore ik bij ’t Volk, t’ dat, uitspreken tat = te dat bv. in ” ’k Wachte t’ dat ’t noene is” enz. Fijge[8] (1) heet, per analogiam,[9] de vrouwelijke schamelheid, om welk scheldwoord (fijge)[10] meer bloed vergoten is als gij er er ooit zult storten: ”De fijgen" (Oostenrijkers)[11] en ”De Patriotten” is gekend. Die ’t woord niet spreken en durft[12] poogt het, met den duim tusschen den index[13] en den sceleradus,[14] tuschen lekkerpoot[15] en langerake;[16] en dat heet iemand ”de fijgen toogen”, bij de lieve kleenen "hu’l’der ” (hun lieder) ”neuze pakken”.[17]

Zal mij nog verstouten u altemets ’t een of ’t ander woord open te snijden en, in wat neteldoek,[18] u te zenden als

uw zeer toegenegen
Guido Gezelle

P.S. - Mr. Victor Vercruysse-D’Hont zou danig geren Röntgen zien stralen;

(1) vergelijkt kerte, treze, klinke, kouse, die = ’t zelfste

Noten

[1] De locatie van de originele brief is onbekend. De brief is enkel in gepubliceerde versie beschikbaar: Cordelia Lauwers, Dr. Emiel Lauwers, een West-Vlaams Shakespeare-vertaler: proeve van een bijdrage tot de geschiedenis van het West-Vlaams regionalisme en tot de studie der Shakespearevertalingen in de Nederlanden. Gent, 1948. (Diss. lic. Germaanse filologie), p. 15.
[2] Onder de titel ’Over de wonden’ publiceerde E. Lauwers in: De Nieuwe Tijd: 1 (1897) 17, p. 135 ; 1 (1897) 18, p. 142; 1 (1897) 19, p. 150 en 1 (1897) 20, p. 158. Lauwers dankte Gezelle voor deze brief op 19 maart 1897.
[3] Voor microben vertaalt Lauwers ’levelingen’. Hij gebruikt ook een werkwoord om een doek van microben te ontsmetten, nl. ’verontlevelingd worden’. Infinitief: ontlevelingen.
[4] Dit woord is niet meer te vinden in de tekst die Stijn Streuvels als editeur afdrukte in: Schriften van Dokter Lauwers 1858-1921. Thielt: Lannoo, 1931, p. 70-85. Het stond in de oorspronkelijke tekst van Lauwers die in De Nieuwe Tijd verscheen waar Gezelle het las. De andere woorden (’ontlevelingen‘‘, edeldoek‘, ’ont‘) heeft Streuvels wel laten staan.
[5] Dubbele ’en’: mogelijk transcribeerfout in de thesis.
[6] Het complete artikel van Lauwers ’Over de wonden’ staat ook in: F. Lateur (ed.), Schriften van Dokter Lauwers 1858-1921. Thielt: Lannoo, 1931. Op p. 82 is er sprake van ’edel doek’.
[7] ’Ont’ staat in de laatste zin van het artikel van Lauwers in de betekenis van ’tot’.
[8] Lauwers gebruikt ”fijge” voor oude vrouw: ”Verleden jaar, kwam er te mijnen huize, eene oude fijge van een vrouwke, klagende over pijne in de koppelingen van de schouder en van den knie.” En een leuke alinea volgt over het feit dat deze bejaarde vrouw zich sinds haar doopsel nooit meer gewassen heeft met koud water!
[9] Vertaling (Latijn): figuurlijk. De vijg, uitspraak in het West-Vlaams ’fige’, verwijst naar de vagina. Gezelle noemt dit lichaamsdeel: de vrouwelijke schamelheid.
[10] Het complete artikel van Lauwers ’Over de wonden’ staat in: F. Lateur (samenst.), Schriften van Dokter Lauwers 1858-1921. Thielt: Lannoo, 1931, Daarin komt voor op p. 82-83: ”Verleden jaar, kwam er te mijnen huize, eene oude fijge van een vrouwke”. En een leuke alinea volgt over het feit dat deze bejaarde vrouw zich sinds haar doopsel nooit meer gewassen heeft met koud water! Gezelle wijst erop dat dit beledigende scheldwoord al vaak aanleiding gegeven heeft tot gevechten, tot bloedens toe.
[11] In de achttiende eeuw kregen de Oostenrijks- of keizersgezinden als scheldnaam ‘vijgen’, terwijl men de patriotten spottend ‘pruimen’ noemde. Hierop heeft het bloedvergieten betrekking van de vorige zin.
[12] Gezelle alludeert op het ’taboe’ dat rust op het benoemen van de vagina. Wie dat woord niet durfde uit te spreken, bracht een gebaar met de vingers waardoor men begreep dat het hierover ging.
[13] Wijsvinger.
[14] Sceleratus. Vertaling (Latijn) = vervloekt, schuldig, misdadig. Dit is hier de middenvinger. Gezelle beschrijft hoe je tussen de wijsvinger en de middenvinger de duim van dezelfde hand laat uitpiepen, en hoe dit dan sloeg op de vagina.
[15] Wijsvinger. Deze benaming kwam voor in een rijmpje met handen geïllustreerd, je toont telkens één vinger per vers. Zeer gekend was: 'Duimeloot, (je toont je duim); Kattepoot (je toont je wijsvinger); Lange Raap (je toont je middenvinger); Korte Knaap (je toont je ringvinger) en tot slot Klein Petitje, kietje kietje kietje... Hier benut Gezelle ’Lekkerpoot’ voor ’Kattepoot’ en ’lange rake’ voor ’Lange Raap’.
[16] Middelvinger of middenvinger.
[17] Gezelle beschrijft een plagerijtje. Je zegt tegen een kind: ”Ik ga je neus pakken.” en met je rechterhand strijk je over zijn/haar neus en je toont je wijs- ven middenvinger en daartussen je duim die uitpiept. De top van je duim stelt zogezegd de neus van het kind voor... Dit gebaar van uitpiepende duim tussen wijs- en middenvinger is hetzelfde gebaar waarmee je een vagina kunt voorstellen.
[18] Een ironische Gezelle die alludeert op het beroep van chirurg (’opensnijden’) en dan in ’neteldoek’ wikkelen.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLauwers, Emiel; Rik (pseudoniem)
Datums° Ingelmunster, 23/10/1858 - ✝ Kortrijk, 29/05/1921
GeslachtMannelijk
Beroeparts
BioEmiel Lauwers was leerling aan het kleinseminarie te Roeselare samen met Albrecht Rodenbach. Hij kreeg er les van Hugo Verriest met wie hij het tijdschrift De Nieuwe Tijd oprichtte. Samen met Verriest was hij in 1886 betrokken bij Gezelles vertaling van The Song of Hiawatha. Hij studeerde geneeskunde te Leuven en vestigde zich in 1888 als chirurg te Kortrijk, en was er werkzaam aan het Heilig-Hartziekenhuis. In 1896 stichtte hij samen met Alfons Depla en Roose een nieuwe ziekenhuis (Sint-Antoniusinstituut). Hij was ook vertaler van Duitse en Engelse geneeskundige werken.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker Biekorf

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamLauwers, Emiel; Rik (pseudoniem)
Datums° Ingelmunster, 23/10/1858 - ✝ Kortrijk, 29/05/1921
GeslachtMannelijk
Beroeparts
BioEmiel Lauwers was leerling aan het kleinseminarie te Roeselare samen met Albrecht Rodenbach. Hij kreeg er les van Hugo Verriest met wie hij het tijdschrift De Nieuwe Tijd oprichtte. Samen met Verriest was hij in 1886 betrokken bij Gezelles vertaling van The Song of Hiawatha. Hij studeerde geneeskunde te Leuven en vestigde zich in 1888 als chirurg te Kortrijk, en was er werkzaam aan het Heilig-Hartziekenhuis. In 1896 stichtte hij samen met Alfons Depla en Roose een nieuwe ziekenhuis (Sint-Antoniusinstituut). Hij was ook vertaler van Duitse en Engelse geneeskundige werken.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker Biekorf

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamD'Hondt, Marie-Philippine; Maria Philomena; Mevrouw Vercruysse
Datums° Gent, 16/10/1838 - ✝ Kortrijk, 15/07/1908
GeslachtVrouwelijk
BioMaria Philomena d’Hondt (1838-1908) huwde op 7 mei 1863 te Gent met Victor Vercruysse (1832-1923), waarmee ze een zoon Léon en drie dochters had: Margaretha Maria (1865-1950), Julia Victorine (1871-1938) en Maria Theresia (1872-1958). Maria Philomena was raadslid van de ‘Dames de la Miséricorde’ van 1883 tot 1887, en voorzitster vanaf 1887. Het gezin behoorde al sinds 1875 tot Gezelles kennissenkring. Hij ging geregeld bij de familie Vercruysse middagmalen in de Leopoldstraat 17 te Kortrijk. Maria Philomena d’Hondt was de nicht van Emily Berry met wie Gezelle ook correspondeerde.
Relatie tot Gezellecorrespondent
Bronnen https://gw.geneanet.org ; Leiegouw: 14 (1973) 3, p.338
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVercruysse, Victor
Datums° Kortrijk, 16/03/1832 - ✝ Kortrijk, 11/02/1923
GeslachtMannelijk
Beroepindustrieel; politicus
BioVictor Marie Ignace Vercruysse behoorde tot de burgerlijke kringen waarin Guido Gezelle verkeerde in Kortrijk. Victor was samen met zijn enige broer Arsène actief als industriële bloemmolenaar in Harelbeke. Hij huwde op 7 mei 1863 te Gent met Marie D'Hondt. Samen hadden zij een zoon Léon en drie dochters: Margaretha Maria (1865-1950), Julia Victorine (1871-1938) en Maria Theresia (1872-1958). Verder was Victor te Kortrijk gemeenteraadslid en stichter van de Société Saint Raphaël.
Relatie tot Gezellecorrespondent
Bronnen https://gw.geneanet.org/wvanmoerkerke?n=vercruysse&oc=&p=victor+ignace

Indextermen

Briefontvanger

Lauwers, Emiel

Briefschrijver

Gezelle, Guido

Correspondenten - personen

Gezelle, Guido
Lauwers, Emiel

Naam - persoon

D'Hondt, Marie-Philippine
Gezelle, Guido
Vercruysse, Victor

Plaats van verzending

Kortrijk

Titelxx/xx/[1897 ?], Kortrijk, Guido Gezelle aan [Emiel Lauwers]
EditeurKarel Platteau; Publicatie
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKarel Platteau; Publicatie, Gezelle Guido aan Lauwers Emiel, Kortrijk (Kortrijk), xx/xx/[1897 ?]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Lauwers, Emiel]
Verzendingsdatumxx/xx/[1897 ?]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieLocatie origineel onbekend (privé-bezit (?)): brief is enkel in gepubliceerde versie beschikbaar; datum gereconstrueerd op basis van de brieftekst: over artikel 'Over de wonden' van Lauwers m.b.t. het gedeelte verschenen op 18/03/1897; de bedanking van Lauwers volgt op 19/03/1897 (nr.6861): de brief is dus geschreven op de verschijningsdatum van het artikel; plaats en adressaat gereconstrueerd op basis van de publicatie.
Gepubliceerd inDr. Emiel Lauwers, een West-Vlaams Shakespeare-vertaler : proeve van een bijdrage tot de geschiedenis van het West-Vlaams regionalisme en tot de studie der Shakespearevertalingen in de Nederlanden / door Cordelia Lauwers. - Gent, 1948. (Diss. lic. Germaanse filologie), p.15
Fysieke bijzonderheden
Drager papier, wit, onzeker
papiersoort: inkt, onzeker
Staat volledig
Bewaargegevens
Bewaarplaatslocatie origineel onbekend
ID Gezellearchieflocatie origineel onbekend
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.27013
Inhoud
IncipitIk leze met rechtzinnige bewonderinge uw schrijven - dat heete ik schrijven:
Samenvatting Reactie van Gezelle op artikel 'Over de wonden' van Lauwers: De Nieuwe Tijd. - Jrg. 1 (1897) nr. 17, p. 135 ; Jrg. 1 (1897) nr. 18, p. 142; Jrg. 1 (1897) nr. 19, p. 150 en Jrg. 1 (1897) nr. 20, p. 158
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.