Uw brief heeft mij verwonderd en bedroefd. Welhoe? Omdat ik een artikeltje in de Tassche gezet heb,[1] op aandringen van Mr. Verriest principaal die van zijnentwege mij hier veel dienst bewijst – gij ziet alles in het zwarte: R.d.H. is vergeten, ik loochen mijn oude vrienden enz.
Maar ik heb over twee jaar ook een artikeltje gezet in de Schoolbode:[2] heb ik u daarom vergeten of verlaten?
Ik herhaal het u, en ‘k zeg het omdat ik het moete zeggen, R.d.H. was en is altijd voor mij mijn blad, en al de Tasschen, Vlaggen en Pennoenen te samen en zijn voor mij zovele niet als R.d.H. - Ik schrijf in R.d.H. uit liefde en genegenheid, met blijdschap en genoegen – In alle andere tijdschriften schrijf ik zeer zelden en dan nog aleenlijk omdat ik er meer of min toe gepraamd ben, uit nood en tegen dank.
Als het U belieft, Beste Adolf, en wees niet wreed ten mijnen opzichte, ‘k en verdien het niet. En in het toekomende zelfs en zal ik voor niemand meer nog een artikeltje schrijven zonder u daarover eerst te raadplegen, indien ik u daarmee dienstig kan zijn. En om mijn voornemen zoo seffens in‘t werk te leggen, wat moet ik doen met G. Gezelle die Loquela uitgeeft en die mij de woorden vraagt welke ik sinds mijn Wvl. Idiot. voort verzameld heb? Zij waren voor u bestemd: maar G.G. in den tijd heeft mij geheel zijne collectie – schoone, rijke collectie – afgestaan voor mijn Idioticon zoodat ik hier nu tussen twee stoelen in de asschen zit. Het is aardig dat gij, Adolf, die zoovele tegenkomt en zoovele ondervinding hebt van menschen en dingen, dat je niet eens en peist dat ik ook somwijlen op den kruisweg sta, niet wetende welken kant gekozen om best.
Wat er mij nog meer ter herten gaat als uwp2ongegrond misnoegen jegens mij, is de bekommernisse die gij hebt met de gezondheid van uwen deftigen Vader. Ik en mijne zuster zullen onze beste gebeden voor zijn herstelling in den blok steken.
Uw broeder Joseph zal ik niet vergeten.[3] Hadde ik dijsendag een momentje gehad, als ik in de Dekenij was met de andere pastors,[4] ik zou hem gaan groeten hebben; maar ik heb de tafel moeten verlaten om de chieze[5] te bate te nemen van Mr. den pastor van Woesten die mij voeren wilde naar huis, en alzoo en heb ik nievers kunnen gaan; maar ik denk wel in 't kort weder te keeren. Ondertusschen als gij naar uwen eerweerden broeder schrijft, zeg hem dat hij mij ook eens kome lukken[6] voor het noenmaal.
Wegens spijsverteering zie Wvl. Idiot in verbis[7] onvermeugen, scholen, zo, liere, kraag en meugen (‘k en mag dat niet). Wat door den roeper kan, kan door den poeper. Van Iemand die een maagkanker had, zei een hagedokteur[8] dat het de windderm was die verstopt was, iets dat de docteurs niet en leeren in de Universiteiten, zeide hij.
Hij trekt zijn tonge door zijn (keel)gat = hij trekt zijn woord in.
Met den allerhertelijksten wensch van een allerzaligste nieuwjaar over U en al die u dierbaar zijn, hoop ik dat onze vriendschap nooit en zal verkoelen, en dat het begin van ‘t jaar een weinig bitter, van dag tot dag zal verzoeten: men prijst immers een stuur begin. – Ik ga, hope ik, zelve komen met zizania.[9]







