Aan Dr. Eug. VOye,
Gisteren avond, al afkomen uit de duinen, vond ik uwen Morgenschemer op mijnen tafel liggen. Och! Had ik dien perelsnoer nog eenige uren eerder gehad, om hem daar te beschouwen waar zulken schoonigheden dienen bekeken te worden, langs Gods wijde zee, waar de bare heur in zulke perels komt breken, en heur eindloos lied zingt.....
die van de bloemen blinkt, heur zevenkleurge stralen
op ' t water spelen laat en warrelend hermalen.....”
Wat deert het mij dat ik uwe penne niet en hebbe, om U, dichter , in uwe – de edele tale der poezij – te zingen hoe gij weet mijn herte te doen laaien, en mijn ziele helpt opvaren, en hoezeer ik onder ‘t lezen mij vereerd voele
Omdat ic Vlaminc ben.‘k Stelle uwen boek in ‘t rek - - als hij gansch gelezen en herlezen is, - aan de hand, nevens de “Dichtoefeningen” en de “Gedichten, Gezangen en gebeden”, en ‘k wil plaatse sparen tegen dat de Kindergedichten en uwe eerste Kruisvaart komen,[1] en tegen dat de dageraad den morgenschemer volge en de middagzonne aan ‘t schingen ga.p2Een dingen mag ik u wenschen, gij zult het als van een vriend hooren, ‘t is dat gij uw eigen woord gestand zoudt houden.
Dan voor de Waarheid, bruid der eeuwen, geest van God![2]
Aaanveerd, Heere Doktor, een vriendelijken handdruk van







