<Resultaat 556 van 2965

>

p1

Aan Dr. Eug. VOye,

Gisteren avond, al afkomen uit de duinen, vond ik uwen Morgenschemer op mijnen tafel liggen. Och! Had ik dien perelsnoer nog eenige uren eerder gehad, om hem daar te beschouwen waar zulken schoonigheden dienen bekeken te worden, langs Gods wijde zee, waar de bare heur in zulke perels komt breken, en heur eindloos lied zingt.....

“als de zon, gelijk in eene groene weê
die van de bloemen blinkt, heur zevenkleurge stralen
op ' t water spelen laat en warrelend hermalen.....”

Wat deert het mij dat ik uwe penne niet en hebbe, om U, dichter , in uwe – de edele tale der poezij – te zingen hoe gij weet mijn herte te doen laaien, en mijn ziele helpt opvaren, en hoezeer ik onder ‘t lezen mij vereerd voele

Omdat ic Vlaminc ben.

‘k Stelle uwen boek in ‘t rek - - als hij gansch gelezen en herlezen is, - aan de hand, nevens de “Dichtoefeningen” en de “Gedichten, Gezangen en gebeden”, en ‘k wil plaatse sparen tegen dat de Kindergedichten en uwe eerste Kruisvaart komen,[1] en tegen dat de dageraad den morgenschemer volge en de middagzonne aan ‘t schingen ga.p2Een dingen mag ik u wenschen, gij zult het als van een vriend hooren, ‘t is dat gij uw eigen woord gestand zoudt houden.

Wees man en houd u recht: buig nooit en buig voor niemand,
Dan voor de Waarheid, bruid der eeuwen, geest van God![2]

Aaanveerd, Heere Doktor, een vriendelijken handdruk van

Uwen toegenegen dienaar in Christo
Ad.D.

Noten

[1] Op de achterkant van het boek stonden twee te verschijnen werken aangekondigd: Twee kindergedichten (100 blz), idyllen naar Tégnier en Faber die in zijn volgende bundel Vonken en stralen (1889) opgenomen werden, en Mijn eerste kruisvaart, zijn persoonlijke herinneringen aan de Frans-Duitse oorlog (1870-71), die ongepubliceerd bleven.
[2] In de laatste alinea geeft Adolf Duclos een bedekte kritiek op het vrijpostige karakter van Eugeen van Oyes poëzie. Het stuk dat voorligt voor de editie is vermoedelijk een kladversie. In de verstuurde versie voegde Duclos toe ” Eilaas! Sommige bladzijden!...”. Hierop kwam reactie van Van Oye per brief op 01/07/1874. Duclos schrijft vrijuit in zijn daaropvolgende brief aan G. Gezelle van 02/07/1874.

Register

Correspondenten - personen

NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamVan Oye, Eugeen
Datums° Torhout, 03/06/1840 - ✝ Gistel, 04/06/1926
GeslachtMannelijk
Beroeparts; dichter; toneelschrijver
BioEugeen van Oye werd geboren te Torhout op 3 juni 1840 in een artistiek en liberaal artsengezin. Hij volgde van 1854 tot 1858 onderwijs aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij een bijzondere band ontwikkelde met zijn leraar Guido Gezelle. Gezelle wekte bij hem een liefde voor poëzie en de Nederlandse taal en schreef meerdere gedichten voor hem, waaronder het bekende 'Dien avond en die rooze'. Hun correspondentie, die hun leven lang bleef voortduren, getuigt van een hechte, soms gecompliceerde vriendschap. Hoewel Gezelle Van Oye als priester voor ogen had, kozen zijn ouders ervoor dat hij geneeskunde zou studeren. In 1860 begon Van Oye zijn studie geneeskunde aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij tot 1866 bleef en actief deelnam aan literaire en flamingantische kringen zoals Met Tijd en Vlijt. Vervolgens zette hij zijn studie voort aan de Universiteit Gent tot 1870. Daar kwam hij in contact met Julius Sabbe en Max Rooses en nam hij deel aan de activiteiten van de liberale studentenverenigingen 'T.S.G. ’t Zal Wel Gaan' en 'De Taal is gansch het volk'. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog (1870‑1871) werkte Van Oye als vrijwillig arts bij het Rode Kruis in het Franse leger. Na deze periode vestigde hij zich in 1871 als arts te Oostende. Op 28 oktober 1876 trouwde hij met Maria Rumschöttel, met wie hij een zoon kreeg. Als schrijver publiceerde Van Oye poëzie, liederen (sommige op muziek gezet), essays en toneelstukken. Zijn oeuvre omvat onder meer "Morgenschemer" (1874), "Vonken en Stralen" (1889), "Godelieve van Gistel" (1910) en "Mijn gevangenis" (1923), een getuigenis van zijn ervaring als politiek gevangene na de Eerste Wereldoorlog. In 1905 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, maar na de oorlog verloor hij zijn staatsfuncties en werd hij in 1919 uit de Academie ontheven vanwege zijn activistische houding tijdens de oorlogsjaren. Van Oye overleed te Gistel op 4 juni 1926.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezelleoud-leerling van Gezelle; correspondent; vriend; gelegenheidsgedichten, lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; studentenbeweging
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Briefschrijver

NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare

Briefontvanger

NaamVan Oye, Eugeen
Datums° Torhout, 03/06/1840 - ✝ Gistel, 04/06/1926
GeslachtMannelijk
Beroeparts; dichter; toneelschrijver
BioEugeen van Oye werd geboren te Torhout op 3 juni 1840 in een artistiek en liberaal artsengezin. Hij volgde van 1854 tot 1858 onderwijs aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij een bijzondere band ontwikkelde met zijn leraar Guido Gezelle. Gezelle wekte bij hem een liefde voor poëzie en de Nederlandse taal en schreef meerdere gedichten voor hem, waaronder het bekende 'Dien avond en die rooze'. Hun correspondentie, die hun leven lang bleef voortduren, getuigt van een hechte, soms gecompliceerde vriendschap. Hoewel Gezelle Van Oye als priester voor ogen had, kozen zijn ouders ervoor dat hij geneeskunde zou studeren. In 1860 begon Van Oye zijn studie geneeskunde aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij tot 1866 bleef en actief deelnam aan literaire en flamingantische kringen zoals Met Tijd en Vlijt. Vervolgens zette hij zijn studie voort aan de Universiteit Gent tot 1870. Daar kwam hij in contact met Julius Sabbe en Max Rooses en nam hij deel aan de activiteiten van de liberale studentenverenigingen 'T.S.G. ’t Zal Wel Gaan' en 'De Taal is gansch het volk'. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog (1870‑1871) werkte Van Oye als vrijwillig arts bij het Rode Kruis in het Franse leger. Na deze periode vestigde hij zich in 1871 als arts te Oostende. Op 28 oktober 1876 trouwde hij met Maria Rumschöttel, met wie hij een zoon kreeg. Als schrijver publiceerde Van Oye poëzie, liederen (sommige op muziek gezet), essays en toneelstukken. Zijn oeuvre omvat onder meer "Morgenschemer" (1874), "Vonken en Stralen" (1889), "Godelieve van Gistel" (1910) en "Mijn gevangenis" (1923), een getuigenis van zijn ervaring als politiek gevangene na de Eerste Wereldoorlog. In 1905 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, maar na de oorlog verloor hij zijn staatsfuncties en werd hij in 1919 uit de Academie ontheven vanwege zijn activistische houding tijdens de oorlogsjaren. Van Oye overleed te Gistel op 4 juni 1926.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezelleoud-leerling van Gezelle; correspondent; vriend; gelegenheidsgedichten, lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; studentenbeweging
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Plaats van verzending

NaamBrugge
GemeenteBrugge

Naam - persoon

NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamVan Oye, Eugeen
Datums° Torhout, 03/06/1840 - ✝ Gistel, 04/06/1926
GeslachtMannelijk
Beroeparts; dichter; toneelschrijver
BioEugeen van Oye werd geboren te Torhout op 3 juni 1840 in een artistiek en liberaal artsengezin. Hij volgde van 1854 tot 1858 onderwijs aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij een bijzondere band ontwikkelde met zijn leraar Guido Gezelle. Gezelle wekte bij hem een liefde voor poëzie en de Nederlandse taal en schreef meerdere gedichten voor hem, waaronder het bekende 'Dien avond en die rooze'. Hun correspondentie, die hun leven lang bleef voortduren, getuigt van een hechte, soms gecompliceerde vriendschap. Hoewel Gezelle Van Oye als priester voor ogen had, kozen zijn ouders ervoor dat hij geneeskunde zou studeren. In 1860 begon Van Oye zijn studie geneeskunde aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij tot 1866 bleef en actief deelnam aan literaire en flamingantische kringen zoals Met Tijd en Vlijt. Vervolgens zette hij zijn studie voort aan de Universiteit Gent tot 1870. Daar kwam hij in contact met Julius Sabbe en Max Rooses en nam hij deel aan de activiteiten van de liberale studentenverenigingen 'T.S.G. ’t Zal Wel Gaan' en 'De Taal is gansch het volk'. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog (1870‑1871) werkte Van Oye als vrijwillig arts bij het Rode Kruis in het Franse leger. Na deze periode vestigde hij zich in 1871 als arts te Oostende. Op 28 oktober 1876 trouwde hij met Maria Rumschöttel, met wie hij een zoon kreeg. Als schrijver publiceerde Van Oye poëzie, liederen (sommige op muziek gezet), essays en toneelstukken. Zijn oeuvre omvat onder meer "Morgenschemer" (1874), "Vonken en Stralen" (1889), "Godelieve van Gistel" (1910) en "Mijn gevangenis" (1923), een getuigenis van zijn ervaring als politiek gevangene na de Eerste Wereldoorlog. In 1905 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, maar na de oorlog verloor hij zijn staatsfuncties en werd hij in 1919 uit de Academie ontheven vanwege zijn activistische houding tijdens de oorlogsjaren. Van Oye overleed te Gistel op 4 juni 1926.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezelleoud-leerling van Gezelle; correspondent; vriend; gelegenheidsgedichten, lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; studentenbeweging
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge

Titel - werk van Guido Gezelle

Titel(Vlaemsche) dichtoefeningen
Links[gezelle.be]
TitelGedichten, gezangen en gebeden. Een schetsboek voor Vlaemsche studenten.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelMorgenschemer Gedichten van Eugeen van Oye: 1856 - 1870
AuteurEugeen Van Oye
Datum1874
PlaatsOostende e.a.
UitgeverF. Claassen
TitelVonken en stralen: poëzie : 1870-1876
AuteurEugeen Van Oye
Datum1889
PlaatsGent
UitgeverSiffer

Titel30/06/1874, Brugge, Adolf Juliaan Duclos aan [Eugeen Van Oye]
EditeurKoen Calis
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2025
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKoen Calis, Duclos Adolf Juliaan aan Van Oye Eugeen, Brugge (Brugge), 30/06/1874. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2025 Available from World Wide Web: link .
VerzenderDuclos, Adolf Juliaan
Ontvanger[Van Oye, Eugeen]
Verzendingsdatum30/06/1874
VerzendingsplaatsBrugge (Brugge)
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van de aanhef.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 enkel vel, 231 mm x 180 mm
papier, wit
papiersoort: 2 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden vermoedelijk kladversie van brief
Toevoegingen op zijde 1 naast dichtregels: p.146; idem op zijde 2: p.342) (rood en blauw potlood, beide hand A. Duclos);
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID GezellearchiefAanw. 732
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.26980
Geschiedenis 27/04/2021, Teruggave Antoon Viaene (Rijksarchief Kortrijk)
Inhoud
IncipitGisteren avond, <+al> afkomen uit de duinen, vond
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.