Kome te vernemen, in ulieden Kunst- ende Letternieuws,[3] dat uw geleerde en kundige medeschrijver Adolphe Lootens eenen boek oude liedtjes gaat uitgeven en alzoo uw westvlaamsch letterwezen of litterature met eenen nieuwen schat, en eenen kostelijken, hope ik, belooft te verrijken.
Het zijn immers oude liedtjes te wege en
de oude liedtjes zijn de bestezou ik zeggen, met het spreekwoord, ware het niet, dat, zoekende en snuisterende, zoo een vreemdeling al doet, ik op het spoor gekomen ben van zekere redenen die mij doen twijfelen aan den zin en de ware beteekenisse van die oude liedtjes, bezonderlijk als men ervan zegt dat het de beste zijn.
Zijn 't de oude liederen die de beste zijn, of zijn 't de oude lieden?
That is the question!
Ik stemme voor de oude lieden, van welker achtbare gilde ik, sedert langen tijd, al deel make; gij zult waarschijnelijk, jong en vlugge als gij zijt, met al uwe land- en taalgenooten, voor de oude liederen stemmen; en, ware 't zake dat het meeste getal stemmers gelijk haalde, de oude liederen, zouden, zonder kijf, de beste moeten zijn.
Ondertusschen het zijn, in zulke zaken, de goede redenen die 't gelijk wegdragen en daarom zal ik, in 't korte, de mijne voor den dag brengen.
Ze zenden den schoolmeester van Goeyeghem wekelijks een leuvensch bladtje, dat Uilenspiegel heet en dat recht voor de vuist is, staat er op gedrukt.[4] Welnu, in numero 14 van sedert Uilenspiegels geboorte het eerste jaar, te weten 't jaar 1878, staat er, op de derde bladzijde, tenden de middensplete, letterlijk aldus:
“AERTS (JAN.)
Vlaamsche dichter, geboren te Merchten, kopieerde in 1714 de Antiquiteyten van Merchten door Van Oesbroeck geschreven; en gaf ook een staal zijner gedichten door de volgende regelen. Ieder, zegt hij, moet de levenswijze onser voorouders, hunne gebruiken en de wetten, welke sy ons achtergelaten hebben, leeren kennen. Het is noodig voegt hy er by, dat men de oude voorbeelden studeren, de menschen syn thans verre van den goeden weg gedwaeld, en de wereld wordt meer en meer slechter, hetgeen men segh is waar, de oudste liedjens syn de beste:
Tot alle naercommelingen proffyt waarachtich,
Hebbe met mynder handt dit overgeseth en geschreven
Opdat een regelyck soude syn gedachtich,
Hoe dat ons voorouders plachten te leven.
Wat rechten en coustumen ons van hen syn achtergebleven.
Wat geluck en tegenspoed sy oock hebben ghehadt.
Ghelyck den Heer hun keeft gheproeft ghedreven
Oude exempelen t' aensien is goed en comptte bat.
De menschen syn nu verre van den rechten pat;
De werelt compt lancx hoe booter op 't leste.
'T is waer, dat men seyt, d'oude lieden syn de beste.
De klauwaert, die daar zijnen klauw onder gezet heeft, is mij onbekend, anders zou ik vragen,
Ten eersten, of waarlijk in vers 2 waarachtig met aa staat, in 't handschrift.[5]
Ten tweeden, of, vers 4, een regelijck, niet en moet een iegelyck, dat is een ieder zijn.[6]
Ten derden, in 't laatste vers op een naar, of booter niet en moet booser, dat is boozer, gelezen worden.[7]
Ten vierden, en dat vrage ik aan alle verstandige lieden, bezonderlijk aan al de oude, die dit lezen zullen, of, ingezien den samenhang en samengang van Jan Aerts behoorlijk gelezen verzen, hij, in 1714, de oude lieden, les vieilles gens, voor de beste niet en aanzag, eerder als de oude liederen; bat nog, of hedendaags “de oude liedtjes zyn de beste,” niet en kan ofte en mag in den zelfsten Jan Aartschen zin verstaan worden?
Dan zou inderdaad uw oud vlaamsch spreekwoord nog eene bekoorlijke dobbelzinnigheid bevatten en erbij winnen.
Daar bestaan voorbeelden genoeg van misverstaan van zekere oude spreekwoorden, onder andere, hetgene ik in vele oude handschriften en boeken altijd geschreven of gedrukt gevonden hebbe:
De katten gaan te choore,hoore ik hier te Goeyeghem altijd uitspreken als of het ware:
De katten gaan te koorde.[8]De katten en gaan immers nooit te koorde, 't en zij als men ze ophangt, moe zijnde van hunnen onverdragelijken choor en kattemusijk.
Hunne oude liedtjes altsan en zijn voorzeker de beste niet!






