<Resultaat 632 van 2965

>

p1
Goeyeghem[1] dezen 22 in Meie A. D. 1878.

Mijne achtbare Heeren van R. d. H.[2]

Kome te vernemen, in ulieden Kunst- ende Letternieuws,[3] dat uw geleerde en kundige medeschrijver Adolphe Lootens eenen boek oude liedtjes gaat uitgeven en alzoo uw westvlaamsch letterwezen of litterature met eenen nieuwen schat, en eenen kostelijken, hope ik, belooft te verrijken.

Het zijn immers oude liedtjes te wege en

de oude liedtjes zijn de beste

zou ik zeggen, met het spreekwoord, ware het niet, dat, zoekende en snuisterende, zoo een vreemdeling al doet, ik op het spoor gekomen ben van zekere redenen die mij doen twijfelen aan den zin en de ware beteekenisse van die oude liedtjes, bezonderlijk als men ervan zegt dat het de beste zijn.

Zijn 't de oude liederen die de beste zijn, of zijn 't de oude lieden?

That is the question!

Ik stemme voor de oude lieden, van welker achtbare gilde ik, sedert langen tijd, al deel make; gij zult waarschijnelijk, jong en vlugge als gij zijt, met al uwe land- en taalgenooten, voor de oude liederen stemmen; en, ware 't zake dat het meeste getal stemmers gelijk haalde, de oude liederen, zouden, zonder kijf, de beste moeten zijn.

Ondertusschen het zijn, in zulke zaken, de goede redenen die 't gelijk wegdragen en daarom zal ik, in 't korte, de mijne voor den dag brengen.

Ze zenden den schoolmeester van Goeyeghem wekelijks een leuvensch bladtje, dat Uilenspiegel heet en dat recht voor de vuist is, staat er op gedrukt.[4] Welnu, in numero 14 van sedert Uilenspiegels geboorte het eerste jaar, te weten 't jaar 1878, staat er, op de derde bladzijde, tenden de middensplete, letterlijk aldus:

AERTS (JAN.)

Vlaamsche dichter, geboren te Merchten, kopieerde in 1714 de Antiquiteyten van Merchten door Van Oesbroeck geschreven; en gaf ook een staal zijner gedichten door de volgende regelen. Ieder, zegt hij, moet de levenswijze onser voorouders, hunne gebruiken en de wetten, welke sy ons achtergelaten hebben, leeren kennen. Het is noodig voegt hy er by, dat men de oude voorbeelden studeren, de menschen syn thans verre van den goeden weg gedwaeld, en de wereld wordt meer en meer slechter, hetgeen men segh is waar, de oudste liedjens syn de beste:

Ick Joannes Aerts, binnen Merchten woenachtich,
Tot alle naercommelingen proffyt waarachtich,
Hebbe met mynder handt dit overgeseth en geschreven
Opdat een regelyck soude syn gedachtich,
Hoe dat ons voorouders plachten te leven.
Wat rechten en coustumen ons van hen syn achtergebleven.
Wat geluck en tegenspoed sy oock hebben ghehadt.
Ghelyck den Heer hun keeft gheproeft ghedreven
Oude exempelen t' aensien is goed en comptte bat.
De menschen syn nu verre van den rechten pat;
De werelt compt lancx hoe booter op 't leste.
'T is waer, dat men seyt, d'oude lieden syn de beste.

Klauwaert.”

De klauwaert, die daar zijnen klauw onder gezet heeft, is mij onbekend, anders zou ik vragen,

Ten eersten, of waarlijk in vers 2 waarachtig met aa staat, in 't handschrift.[5]

Ten tweeden, of, vers 4, een regelijck, niet en moet een iegelyck, dat is een ieder zijn.[6]

Ten derden, in 't laatste vers op een naar, of booter niet en moet booser, dat is boozer, gelezen worden.[7]

Ten vierden, en dat vrage ik aan alle verstandige lieden, bezonderlijk aan al de oude, die dit lezen zullen, of, ingezien den samenhang en samengang van Jan Aerts behoorlijk gelezen verzen, hij, in 1714, de oude lieden, les vieilles gens, voor de beste niet en aanzag, eerder als de oude liederen; bat nog, of hedendaags “de oude liedtjes zyn de beste,” niet en kan ofte en mag in den zelfsten Jan Aartschen zin verstaan worden?

Dan zou inderdaad uw oud vlaamsch spreekwoord nog eene bekoorlijke dobbelzinnigheid bevatten en erbij winnen.

Daar bestaan voorbeelden genoeg van misverstaan van zekere oude spreekwoorden, onder andere, hetgene ik in vele oude handschriften en boeken altijd geschreven of gedrukt gevonden hebbe:

De katten gaan te choore,

hoore ik hier te Goeyeghem altijd uitspreken als of het ware:

De katten gaan te koorde.[8]

De katten en gaan immers nooit te koorde, 't en zij als men ze ophangt, moe zijnde van hunnen onverdragelijken choor en kattemusijk.

Hunne oude liedtjes altsan en zijn voorzeker de beste niet!

Waarmede ik ulieden zeer ootmoediglijk blijf groetende,
Gonsalvo Megliori,[9]
C.S.Si.

Noten

[1] Fictieve plaatsnaam. De brief is geschreven door Gezelle als een mystificatie rond de fictieve figuur Gonsalvo Megliori op een fictieve plaats.
[2] De locatie van de originele brief is onbekend. De brief is enkel in gepubliceerde vorm beschikbaar als lezersbrief in: Rond den Heerd: 13 (9 juni 1878) 28, p.219-220.
[3] Rubriek in Rond den Heerd.
[4] Dit is de ondertitel.
[5] In de oorspronkelijke tekst staat inderdaad ”waerachtich“ met gebruik van de ae vorm die Guido Gezelle de meest oorspronkelijke vond. (zie "C. Piron, Algemeene levensbeschryving der mannen en vrouwen van België welke zich door hunne dapperheid, vernuft, geest, wetenschappen, kunst, deugden, dwalingen of misdaden eenen naem verworven hebben. Mechelen, 1860, Bijvoegsel p.3.).
[6] In de oorspronkelijke tekst staat inderdaad ”iegelyck“. (zie "C. Piron, Algemeene levensbeschryving der mannen en vrouwen van België welke zich door hunne dapperheid, vernuft, geest, wetenschappen, kunst, deugden, dwalingen of misdaden eenen naem verworven hebben. Mechelen, 1860, Bijvoegsel p.3.).
[7] In de oorspronkelijke tekst staat inderdaad ”booser“. (zie "C. Piron, Algemeene levensbeschryving der mannen en vrouwen van België welke zich door hunne dapperheid, vernuft, geest, wetenschappen, kunst, deugden, dwalingen of misdaden eenen naem verworven hebben. Mechelen, 1860, Bijvoegsel p.3.).
[8] Vergelijk eenzelfde bedenking in een brief van Gezelle aan Adolf Duclos van midden maart 1874 naar aanleiding van een verschrijving in Rond den Heerd: 7 (30 maart 1872) 18, p.155. Gezelle komt er ook nog op terug in Loquela:1 (oktober 1881) 6, p.41.
[9] Fictieve briefschrijver. De brief is geschreven door Gezelle als een mystificatie rond de fictieve figuur Gonsalvo Megliori. De naam is waarschijnlijk gebaseerd op de veel gebruikte uitdrukking ”salvo meliori”, betekenis: onder voorbehoud van een beter.

Register

Correspondenten - personen

NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLootens, Adolf-Richard
Datums° Brugge, 11/08/1835 - ✝ Highgate, 01/06/1902
GeslachtMannelijk
Beroeplandmeter; volkskunde
BioAdolf Lootens is geboren te Brugge op 11 augustus 1835. Hij was de broer van missionaris Louis Lootens en neef van missionaris Amaat Lootens, beide correspondenten van Guido Gezelle. Na zijn opleiding aan het Sint-Lodewijkscollege, waar hij les kreeg van De Bo, vestigde hij zich als landmeter te Brugge. Vanaf eind 1867 werkte hij mee aan "Rond den Heerd" met volkskundige bijdragen. In 1868 publiceerde hij samen met atheneumleraar J.M.E. Feys de sprookjesverzameling “Oude kindervertelsels in de brugsche tongval”, gevolgd in 1878 door de bundel volksliederen “Chants populaires flamands” onder de hoede van de Société d’Emulation. In 1884 vertrok hij naar Londen. Twee jaar later trouwde hij met Martha Stoneman. Hij stierf te Highgate (Londen) op 1 juni 1902.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker Rond den Heerd
NaamAerts, Jan; Joannes
Datums° Merchtem, achttiende eeuw
GeslachtMannelijk
Beroepdichter
BioJan Aerts was een Vlaamse dichter uit Merchtem, actief in het begin van de 18e eeuw. In 1714 kopieerde hij de Antiquiteyten van Merchten, geschreven door Van Oesbroeck, en liet hij enkele verzen na waarin hij het belang van traditie en oude gebruiken benadrukte. Zijn poëzie getuigt van een nostalgische blik op het verleden en een kritische houding tegenover de morele achteruitgang van zijn tijd.
BronnenC. Piron, Algemeene levensbeschryving der mannen en vrouwen van België welke zich door hunne dapperheid, vernuft, geest, wetenschappen, kunst, deugden, dwalingen of misdaden eenen naem verworven hebben, sedert de eerste tyden tot den dag van heden. Mechelen, 1860, Bijvoegsel p.2-3.

Naam - instituut/vereniging

NaamCongregatie der Priesters van de Heilige Wondtekenen
BeschrijvingCongregatio a Sacris Stigmatibus Domini Nostri Iesus Christi (C.S.S.) is een katholieke kloosterorde, ook bekend als de stigmatijnen of bertonianen, opgericht door Sint Gaspar Bertoni in Verona, Italië, in 1816. Ze zijn actief als Apostolische Missionarissen met een focus op jeugdvorming en de opleiding van de geestelijkheid.
Datering1816

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelRond den Heerd. Een leer-en leesblad voor alle lieden.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelChants populaires flamands avec les airs notés et poésies populaires diverses recueillis à Bruges
AuteurLootens, A. en E. Feys
Datum1878
PlaatsBrugge
UitgeverDesclée de Brouwer & Cie
TitelUilenspiegel. Recht voor de vuist (periodiek)
Datum1878 - 1884
PlaatsLeuven
UitgeverWed. Robyns
TitelAntiquiteyten van Merchten
AuteurVan Oesbroeck

Titel22/05/1878, Kortrijk, [Guido Gezelle] aan [Adolf Juliaan Duclos]
EditeurKoen Calis; Publicatie
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2025
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKoen Calis; Publicatie, Gezelle Guido aan Duclos Adolf Juliaan, Kortrijk (Kortrijk), 22/05/1878. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2025 Available from World Wide Web: link .
Verzender[Gezelle, Guido]
Ontvanger[Duclos, Adolf Juliaan]
Verzendingsdatum22/05/1878
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieLocatie origineel onbekend: brief is enkel in gepubliceerde vorm beschikbaar; adressaat en adressant gereconstrueerd op basis van de publicatie; plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Gepubliceerd inLezersbrief / door [Guido Gezelle]. - In: Rond den Heerd. - Jrg.13 (9 juni9 juni 1878) nr.28, p.219-220.
Fysieke bijzonderheden
Staat volledig
Bewaargegevens
Bewaarplaatslocatie origineel onbekend
ID Gezellearchieflocatie origineel onbekend
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.26979
Inhoud
IncipitKome te vernemen, in ulieden Kunst- ende Letternieuws,
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.