Van herte dank: zonder uitstel wilde ik u dit woord toespreken. Neen, voor de schade,[2] die het opnemen van stukken uit uwen rijken voorraad mijn werk zou mogen veroorzaken, hoef ik niet bang te zijn. Wie Het Meezennestje, Een Bonke kersen kind, 't Kindeken van de Dood en meer andere gedichten in eene bloemlezing van Noord- en Zuid-nederlandsche schrijvers misplaatst mocht achten, zou toonen óf weinig smaak, óf veel ergenlijke partijdigheid te bezitten! Eilaes! Wat heeft deze laatste “Unholdin” ons, Vlamingen, al kwaad gedaan... Wat mij betreft, ofschoon ik niet gewoon ben er doekjes om te doen en mijn oordeel vrank en vrij pleeg uit te spreken, om 't even wien 't rake, ik heb het steeds betreurd, dat Gezelle, Rodenbach en anderen stelselmatig uit onze schoolboeken gesloten bleven. Niet, dat ik alle Westvlaamsche dichters in zulke mate vereere, verre van daar! Evenmin als alle Noord-Nederlanders. Toch heb ik, sedert ik leeraar ben, dat is van 1880 af, nooit nagelaten mijne talrijke leerlingen menig stuk uit uwe en Rodenbach's gedichten voor te lezen, en bij voorkeur de drie welke ik hooger noemde. Thans moet ik - kost wat kost - in mijn werk, met die uitsluitingspolitiek (!) afbreken. Zoo doe ik ook met het oog op Servaes Daems, Claeys, Bols, J. B. Martens, Bets, en anderen. - Over’t woord Volkskunde, dat ik niet als een vertaling van ‘t engelsche Folkolore,[3] maar als een equivalent van het Duitsche Volkskunde tracht in te burgeren, kunt gij gelijk hebben. A propos van Volkskunde, eerlang zal ik - denk ik - daarin eenige rijmen geven, bij het ruilen of mangelen, onder de kinderen in Brabant en Vlaanderen in zwang, en daarbij een en ander weten meê te deelen, omtrent het (?) stokkertje, stokkertje, dat gij in Loquela hebt opgenomen.[4] Ik zal het gebruik van den stok bij ruilingen even aanraken. Ik heb er iets over ontdekt. -Jammer dat de nieuwe uitgave Kerkhofblommen niet is verschenen. Misschien vond ik er nog iets in voor mijne boeken. Nog eens dank!
p1
21 juni 1888
Geachte Dichter![1]
Hoogachtend.
Pol de Mont
Annotations
[1] De locatie van de originele briefkaart is onbekend. De briefkaart is enkel beschikbaar in een afschrift van Frank Baur en in de gepubliceerde versie: De Jubileumuitgave van Guido Gezelles werken, 1930, Rijmsnoer, II, p.174-175.
[2] In zijn brief aan Pol De Mont van 21/06/1888 uitte Gezelle zijn bezorgdheid dat de opname van zijn gedichten in de publicatie nadelig zou kunnen zijn voor de samensteller: “Maar zult ge uw werk geen hinder doen? Johan Winkler, die, in zin laatste werk Oud Nederland, met lof gesproken heeft van Zuid-Nederland, van Vlanderen, van Vlaamsche schrijvers en zelfs van mij, wordt hevig aangevallen, deswegens, in de Noord-Nederlandsche bladen; zelfs, schrijft hij mij, door Belgisch-Vl. Schrijvers!”
[3] Op de eerste zes pagina’s van het tijdschrift Volkskunde geeft Pol De Mont een uiteenzetting over het woord “Volkskunde” in de jaargang van 1888 van 1 januari. (Zie: Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore uitgegeven door Pol De Mont en Aug. Gittée. Gent: Algemeene Boekhandel van Ad. Hoste, 1 (1888), p. 1-6). Gezelle reageerde hierop in zijn brief aan Pol De Mont van 21/06/1888 met betrekking tot het woord “folklore” en wat het volgens Gezelle betekent, waarbij hij ook een link legt met het Franse woord “cendres”.
[4] Vraag in Bijblad van Loquela: (Alderheiligen 1886): “Wat is stokkertje, in de volgende oude tooverspreuke, waarmee de jongens eene mangelinge of verwisselinge onwederroepelijk doen zijn:
Stokkertje, stokkertje,
nooi' mee' we're,
os j'up ebblauwe steen kom'
jen hoof' vold of!”







