Zijne Hoogweerdigheid heeft mij onlangs te Kortrijk gevraagd hoe 't kwam dat ik te Belleghem hem geen gedicht afgelezen en hadde;[1] men zegt mij dat hij te Rousselaere daar ook over gesproken heeft.
Nu heb ik een gedicht gemaakt op den Kruisweg; Joseph Ryelandt gaat er musique op dichten en 't zal gezongen worden te Brugge.
Ik zou, zoo gij het goed oordeelt, met Mr Ryelandt, dat gedicht willen opdragen aan Zijne Hoogweerdigheid, met zijnen oorlof. Zoudt gij mijn gedicht, eer 't voor goed gedrukt wordt, zijn Hoogweerdigheid willen ter lezinge voorleggen en vragen of hij zou gedoogen dat ik er bij zette als volgt:
“De XIV stonden of de Bloedige dagvaart ons Heeren, met oorlof zijner Vaderlijke toe-p2gevendheid opgedragen aan mijn Hoogweerdigsten Heer Dr G.J. Waffelaert, XXIsten[2] Bisschop van Brugge, door G.G. en J. Ryelandt?”
Het gedicht volgt met de zelfste post, in voordruk, en veranderbaar, zoo gij of zijne Hoogweerdigheid het goedvindt.







