Ik ontvange daar zoo seffens[1] uw schrijven van 6 pietmaand[2] en haaste mij om u te bedanken. Het verheugt mij naar iemand te schrijven die eenigszins goed vindt ‘t geen in Loquela voorengestaan en bekend gemaakt wordt, namelijk niet het Nederlandsch in al zijnen omvang, maar ons vlaamsch, het eenige deel van de Nederlandsche sprake dat wij nog in state zijn bij ‘t volk te hooren en te bewonderen. De tijden zullen wel beteren, maar de tijden zijn de menschen en de menschen dat zijn wij. Jammer dat er zoo velen zijn die hunnen tijd verslijten met hetgene zij kampen of strijden heeten. Leeren moeten wij, oprapen, vergaderen,[3] malkaar helpen en bijstaan, doen zoo gij doet, met mij een deel woorden over te brieven, die uw vlaamsch gehoor heeft weten bij het volk te verkennen. In den vol-p2genden no van Loquela[4] zult gij zien dat ik op het zelve speur geweest hebbe als gij, te weten ‘t woord duimen.[5] t Is heel kostelijk[6] hetgeen gij mij zendt en zal later te passe komen. Kaleiten is een moeilijk woord en hoe meer voorbeelden van het gebruik ervan hoe beter. Het zou mij aangenaam zijn liet gij mij kenisse maken met uwen ouden boek. Vindt gij er nog, op oude pergamenten, met geschrifte erop, dienende voor oude boekbanden, en laat ze u niet ontgaan. Ik verwachte nog meerdere brieven van u, en, herhaalde maal dankende,
p1+Geloofd zij Jezus Christus Amen
Mijn achtbare Heer & vriend,
blijve ik ulieden toegenegen in Christo
GuidoGezelle
Annotations
[1] Zopas.
[2] De brief van 6 september 1883 van H. Depoorter bleef niet bewaard.
[3] Vergaren, verzamelen.
[4] Dat zou Loquela: 3 (Bamesse 1883) 9 moeten zijn, maar in dat nummer komt ‘duimen’ niet aan bod.
[5] Guido Gezelle behandelde het woord wel in Loquela in 1882: Guido Gezelle, Zantekoorn. Duimen. In: Loquela: 2 (Wiedmaand 1882) 2, p. 9.
[6] Waardevol.







