Zoo gij genoegzaam gewapend zijt tegen De Meester, den uitgever en eigenaar mijner gedichten,[1] doet dan maar zoo ‘t u belieft, en zoo gij mij laat weten in uw laatste schrijven,[2] t zij met welk stuk.
Ik had onlangs naar Dr H. Kern, den leidenschen Hoogleeraar, geschreven om en den uitleg gevraagd van het woord Harlebeke. Nauwelijks dorst ik antwoord van zulk eenen Baas verwachten. Daar kwam toch een, en gewis moet u bedanken voor de aanmoedigende woorden van Dr Kern, die ik, te uwer inzage, op het wederblad van dit, hebbe afgeschreven.[3]
Gaarne had ik uwe vraag op meer bevredigende wijze beantwoord, maar al heb ik deze voldoening niet, doet het mij toch genoegen dat mij die gelegenheid geopend werd om U te schrijven, al was het maar om U te betuigen, dat ik een oprecht bewonderaar ben van uwe gedichten. “Wel,” zult gij misschien denken, “wat doet het ertoe, of ik eenen lezer meer of minder tel?” Doch het menschelijk gemoed heeft behoefte aan instemming; niet om bewonderd, maar om begrepen te worden, hechten wij, tenzij wij ons in den mantel der hooghartigheid hullen, aan ‘t gevoelen van den medemensch.
Vergeef mij deze uitweiding en laat ze strekken als een bewijs van mijne hoogachting. Mocht Gij ooit hier in Holland komen, dan houd ik mij voor een bezoek aanbevolen.







