Kortrijk, den 8 in grasmaand[1] 1896.
Achtbare Heer,
Mij geheugt zoo vele uit den voortijd, en uwe brieven herleze ik nog wel! Danke u, ten hertelijkste, voor hetgene uwe laatste briefkaarte[2] mij bekend maakt. Beeltenissen van mijn hoofd en hebbe ik niet. Dr Gustaf Verriest, te Leuven, heeft een bronzen kop van mij[3] misschien zou eene lichtprente daarvan u kunnen dienen! Ge zoudt mij genoegen doen wildet gij met hem spreken van 't gene gij te wege zijt te doen, immers hij is ook met zoo iets bezig en heeft, geloove ik, met eener uitgever overeenkomste getroffen.[4] Ik hope wel iets te vinden dat ik u zenden kan.
Ben ondertusschen uw zeer toegenegen
Guido Gezelle







