Neemt al dat u aanstaat en geluk daarmeê![1] Maar zult ge uw werk geen hinder doen? Johan Winkler, die, in zin laatste werk Oud Nederland, met lof gesproken heeft van Zuid-Nederland, van Vlanderen, van Vlaamsche schrijvers en zelfs van mij, wordt hevig aangevallen, deswegens, in de Noord-Nederlandsche bladen; zelfs, schrijft hij mij, door Belgisch-Vlaamsche schrijvers![2]
Uw laatste schrijven,[3] en al de voorige, beware ik, maar tot nog toe en wete ik niet hoe ervan gebruik maken in Loquela, die, door mijn ziek zijn, twee-drie maanden ten achteren is.
Ik ben bezig met de 5e uitgave van Kerkhofblommen; sedert de voorgaande uitgave zijnder 86 “zielgedichtjes” bij gekomen: wie weetp2of niet een van die u en zou aanstaan.
Ik leze met genoegen de Volkskunde, welk woord eilaas het woord folklore niet terug en geeft![4] Folklore is 't gene 't Volk leert en van hand tot hand overlevert. Onder de leveraars van de bijdragen zijnder ook wel die, bij zulk fijn werk, niet te betrouwen en zijn. Ge weet zoo wel, en beter als ik dat veel stukken folklore door het Volk niet geloofd, maar enkel gezeid worden. Zoo spreekt men in 't Fransch wel van les cendres[5] eens overledenen, ofschoon ten onzen toch weinig lijken gebrand worden.
Bidde onschuld voor deze laatste ongevraagde reken en ben







