Dank u voor uwen goeden brief.
Van M en had ik niets vernomen van Mr Cantillon, uwen vriend, wel iets, en haaste mij mijne gelukwenschingen te voegen bij die van 't Bisdom. 't Gene gij gedaan hebt te Hasselt[1] heb ik gedaan te Thielt, en daarbij, tot mijn groot spijt, vernomen dat ik gehouden wierd voor den opstoker van al de ruitebrekerije[2] door geheel het land! Dat heb ik van mijne nekke geschud, en insgelijks gelukwenschinge en goedkeuringe ontvangen van den Bisschop van Brugge. Ik had geschreven naar Cuppens en hem gewaarschuwdt tegen 't gene men te Hasselt te wege was; ik had hem verzocht in 't Daghet niets te drukken aangaande de Vlagge enz. Ik hope dat wij in die zake overeenkomen: al die schreeuwende studenten zijn zulke die, eens uit hun studien, hoegenaamd niets en zullen doen past er maar op! Hunne zake is dwersdrijverij, teenemaal[3] onvlaamsche wijze van p2de overheid alle toegevendheid onmogelijk te maken; ze schreeuwen en ze schrijven b.v. tegen het verdacht en bespied zijn van zekere leerlingen, en zij bespieden, door hunne leerlingen de Professors, ze weten, van jonge studentjes overgebriefd, de minste bewegingen van de Professors en dat drukken ze dan in de Vlagge of elders, heimelijk al doende dat ze kunnen om de Vlagge te doen aanzien als mijn werk! Is er iets onvlaamsch, dat is 't! Dat Mgr. Rutten de waarheid daarvan wiste hij zou hem wel wachten van 't Daghet tegen te werken, maar ze zullen hem in 't hoofd gezet hebben dat de beginder van 't Daghet ook de stichter etc. van de Vlagge was en van al 't kwaad dat erin zit.[4] Inde irae?[5]
Ik en heb zelfs nooit willen deelmaken van S. Lutgarde gilde, verre van de Vlagge goed te keuren; ik heb geweigerd mijn name te laten drukken als meeschrijver in 't Belfort, om geen verantwoordelijkheid, die mij niet toe en komt, in de oogen van sommige te moeten dragen. Daar zijn zeer erge vijanden aan 't werk, om al de kwade vruchten die afwaaien uit onzen boom tegen dien p3te doen gelden, en 't is louter domheid van sommige studenten en studentendrijvers en opmakers van juist daaraan meest prijs te hechten waarmeê dat onze ware diepe vaste vijanden onze zake (voor nen tijd) meest kwaad kunnen doen. De studenten behoorden te leeren, te zoeken, te vergâren en hunne jonge krachten hunne voorganders ten dienste te stellen.
Uwe Lutgarde Gilde is mij als lid daarvan hoogst welkom; voorzitter en wil noch en zal ik niet zijn onder geen voorweerden hoegenaamd; al 't ander is mij wel en goed. Een groot geluk ware 't mij deel te maken van een genootschap waarin Mgr Bogaerts is.
Doet dat ge wilt met molhoop,[6] maar hoe jammer dat in al dat ik ooit bijgedragen hebbe in 't Daghet zulke afgrijzelijke kemels gedrukt worden! B.v. scipmisse, of zoo iets, loco scimmeese, scipmeese, (meese = mensura).[7]
Jammer dat een brief zoo weinig zeggen kan en dat Vogelsang[8] zoo verre van hier af is; wij dienden nen keer p4malkaar os ad os[9] te spreken. Verzoeke u al 't gene ik hier geschreven hebbe te aanzien als vertrouwelijk, als inter confratres in sacerdotio[10] gezeid; 't is zeker dat er erge vijanden zijn van de vlaamsche zake, zelfs in heure beste strekkinge, maar 't en zijn de overheden niet, 't zijn integendeel sommige nederheden, die, op nen franschen stoel zittende, en geen anderen hebbende, verlegen zijn, als 't vlaamsch boven komt, dat ze gaan eindelijk moeten op den blooten grond zitten. En laat onze brave heilige Limburgers toch niet meegesleept worden! Gij zijt de man om ze bijeen en rechte te houden.







