<Resultaat 1282 van 2965

>

p1
Achtbare Heer & eerw. vriend,

Dank u voor uwen goeden brief.

Van M en had ik niets vernomen van Mr Cantillon, uwen vriend, wel iets, en haaste mij mijne gelukwenschingen te voegen bij die van 't Bisdom. 't Gene gij gedaan hebt te Hasselt[1] heb ik gedaan te Thielt, en daarbij, tot mijn groot spijt, vernomen dat ik gehouden wierd voor den opstoker van al de ruitebrekerije[2] door geheel het land! Dat heb ik van mijne nekke geschud, en insgelijks gelukwenschinge en goedkeuringe ontvangen van den Bisschop van Brugge. Ik had geschreven naar Cuppens en hem gewaarschuwdt tegen 't gene men te Hasselt te wege was; ik had hem verzocht in 't Daghet niets te drukken aangaande de Vlagge enz. Ik hope dat wij in die zake overeenkomen: al die schreeuwende studenten zijn zulke die, eens uit hun studien, hoegenaamd niets en zullen doen past er maar op! Hunne zake is dwersdrijverij, teenemaal[3] onvlaamsche wijze van p2de overheid alle toegevendheid onmogelijk te maken; ze schreeuwen en ze schrijven b.v. tegen het verdacht en bespied zijn van zekere leerlingen, en zij bespieden, door hunne leerlingen de Professors, ze weten, van jonge studentjes overgebriefd, de minste bewegingen van de Professors en dat drukken ze dan in de Vlagge of elders, heimelijk al doende dat ze kunnen om de Vlagge te doen aanzien als mijn werk! Is er iets onvlaamsch, dat is 't! Dat Mgr. Rutten de waarheid daarvan wiste hij zou hem wel wachten van 't Daghet tegen te werken, maar ze zullen hem in 't hoofd gezet hebben dat de beginder van 't Daghet ook de stichter etc. van de Vlagge was en van al 't kwaad dat erin zit.[4] Inde irae?[5]

Ik en heb zelfs nooit willen deelmaken van S. Lutgarde gilde, verre van de Vlagge goed te keuren; ik heb geweigerd mijn name te laten drukken als meeschrijver in 't Belfort, om geen verantwoordelijkheid, die mij niet toe en komt, in de oogen van sommige te moeten dragen. Daar zijn zeer erge vijanden aan 't werk, om al de kwade vruchten die afwaaien uit onzen boom tegen dien p3te doen gelden, en 't is louter domheid van sommige studenten en studentendrijvers en opmakers van juist daaraan meest prijs te hechten waarmeê dat onze ware diepe vaste vijanden onze zake (voor nen tijd) meest kwaad kunnen doen. De studenten behoorden te leeren, te zoeken, te vergâren en hunne jonge krachten hunne voorganders ten dienste te stellen.

Uwe Lutgarde Gilde is mij als lid daarvan hoogst welkom; voorzitter en wil noch en zal ik niet zijn onder geen voorweerden hoegenaamd; al 't ander is mij wel en goed. Een groot geluk ware 't mij deel te maken van een genootschap waarin Mgr Bogaerts is.

Doet dat ge wilt met molhoop,[6] maar hoe jammer dat in al dat ik ooit bijgedragen hebbe in 't Daghet zulke afgrijzelijke kemels gedrukt worden! B.v. scipmisse, of zoo iets, loco scimmeese, scipmeese, (meese = mensura).[7]

Jammer dat een brief zoo weinig zeggen kan en dat Vogelsang[8] zoo verre van hier af is; wij dienden nen keer p4malkaar os ad os[9] te spreken. Verzoeke u al 't gene ik hier geschreven hebbe te aanzien als vertrouwelijk, als inter confratres in sacerdotio[10] gezeid; 't is zeker dat er erge vijanden zijn van de vlaamsche zake, zelfs in heure beste strekkinge, maar 't en zijn de overheden niet, 't zijn integendeel sommige nederheden, die, op nen franschen stoel zittende, en geen anderen hebbende, verlegen zijn, als 't vlaamsch boven komt, dat ze gaan eindelijk moeten op den blooten grond zitten. En laat onze brave heilige Limburgers toch niet meegesleept worden! Gij zijt de man om ze bijeen en rechte te houden.

Blijve ulieden zeer toegenegen
Guido Gezelle

Noten

[1] Vermoedelijk verwijst dit naar het optreden van Daniëls op 4 mei 1886 tijdens de gouwdag die in Hasselt werd georganiseerd door het Limburgsche Gouwgilde van de Leuvense studenten.

In het verslag daarover in: De Onafhankelijke der Provincie Limburg: 37 (9 mei 1886) 37, p.1-2: “M. Leen, van Hasselt, treedt in bijzonderheden over den toestand van het vlaamsch onderwijs te Hasselt. Hij gaat school per school af, herinnert zekere historie van Tegenwoordig in het Atheneum voorgevallen en valt hevig uit tegen den Bestuurder van het St-Jozefscollege wiens gedrag hij tegenover zekere verklaringen van Mgr. Rutten wil stellen.

M. Daniëls protesteert tegen de gezegden van M. Leen in zooverre de spreker zich als rechter van den heer Bestierder van ‘t St-Jozefscollege aanstelt en eene vergelijking maakt tusschen de gezegden van den Groot-Vicaris te Luik en de handelswijze van den Bestierder. M. Daniëls ontkent aan M. Leen alle gezag en zending daartoe.”

In het nummer van 28 april steunde Daniëls de oproep van het Limburgsche Gouwgilde, maar hij riep tegelijk op tot voorzichtigheid. Hij hield de studenten voor dat jonge mensen moeten gehoorzamen en waarschuwde dat “al wat geus is, vals is”. Zie R.F. Lissens, Gezelle-briefwisseling 1: verzameling archief en museum voor het Vlaamse cultuurleven Antwerpen. Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1970, p.45.

[2] Verwijzing naar een incident tussen Guido Gezelle en de flamingante studentengroeperingen, vertegenwoordigd door het scholierenblad De Vlaamsche Vlagge, rond 1885 en 1886. Hoewel Gezelle de ’zoogezeid vlaamsche beweging’ expliciet afkeurde en zich verzette tegen de agressieve taal van de studenten, hielden dezelfde studenten hem geregeld voor als hun ’heer en meester’, waardoor Gezelle ervan verdacht werd een sympathisant te zijn. Op het huldebetoon van Leonardus De Bo op 30 september 1885 gaf Gezelle een redevoering waarin hij zware kritiek uitte op de studenten en De Vlagge, onder andere door hen te beschrijven als ’ruitenbrekers’.
[3] Helemaal.
[4] Bisschop Martinus-Hubertus Rutten probeerde de stichters van ’t Daghet meerdere malen te doen afzien van hun ideeën over taal, en al zeker van het stichten van een eigen blad. Rutten probeerde immers het onderwijs te vernederlandsen, en was van mening dat de opvattingen van Cuppens en Daniëls in verband met de volkstaal voor verwarring zouden zorgen onder scholieren. Een aanvaring tussen de bisschop en 't Daghet wordt beschreven in de brief van August Cuppens aan Guido Gezelle van 14/04/1886 t.p.q. - 14/05/1886 t.a.q.
[5] Vertaling (Latijn): vandaar de woede.
[6] ’Molhoop‘ is verwerkt in: Moerophoop. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1886) 16-17, p.122.
[7] ’Scipmisse‘ is verwerkt in: Uit Boeken, Brieven en Bladeren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1886) 11-12, p.85.
[8] Het kasteel waar Daniëls als slotkapellaan diende, gelegen te Heusden-Zolder.
[9] Vertaling (Latijn): in persoon.
[10] Vertaling (Latijn): tussen priesters.

Register

Correspondenten - personen

NaamDaniëls, Polydoor; Broeder Elias
Datums° Diest, 20/12/1845 - ✝ Hoeilaart, 05/12/1944
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, leraar
BioPolydoor Daniels werd op 20 december 1845 geboren te Diest. Hij volgde een priesteropleiding aan de seminaries van Sint-Truiden en Luik. Na zijn priesterwijding op 3 juni 1871 gaf hij les aan de colleges van Huy en Saint-Roch te Ferrières. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij in 1876 huiskapelaan bij baron de Villenfagne de Vogelsanck te Zolder. Die bood hem een stimulerende intellectuele omgeving. Daniëls legde zich toe op historisch en filologisch onderzoek. Samen met August Cuppens en Jacob Lenaerts stichtte hij het taal- en volkskundig tijdschrift ‘'t Daghet in den Oosten’ (1885) dat sterk onder invloed van Gezelle stond en de Limburgse studentenbeweging steunde. Zo kwam hij in contact met Gezelle die de eerste jaargangen nazag. Daniëls werkt mee aan de Woordentas en Loquela. Hij was tevens medestichter van Het Belfort, van De Banier en van het historische tijdschrift ‘L'Ancien Pays de Looz’. Na de dood van baron de Villenfagne in 1904 werd hij benoemd tot bestuurder van de broeders van Liefde in Hasselt en tot rector van het Begijnhof. In 1909 werd hij archivaris en conservator van het Stedelijk Museum van de stad Hasselt. In 1939 ging hij met pensioen te Hoeilaart. Hij stierf er op 3 december 1944.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
Bronnen https://hasel.be/dani%C3%ABls-polydoor-1845-1944
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamDaniëls, Polydoor; Broeder Elias
Datums° Diest, 20/12/1845 - ✝ Hoeilaart, 05/12/1944
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, leraar
BioPolydoor Daniels werd op 20 december 1845 geboren te Diest. Hij volgde een priesteropleiding aan de seminaries van Sint-Truiden en Luik. Na zijn priesterwijding op 3 juni 1871 gaf hij les aan de colleges van Huy en Saint-Roch te Ferrières. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij in 1876 huiskapelaan bij baron de Villenfagne de Vogelsanck te Zolder. Die bood hem een stimulerende intellectuele omgeving. Daniëls legde zich toe op historisch en filologisch onderzoek. Samen met August Cuppens en Jacob Lenaerts stichtte hij het taal- en volkskundig tijdschrift ‘'t Daghet in den Oosten’ (1885) dat sterk onder invloed van Gezelle stond en de Limburgse studentenbeweging steunde. Zo kwam hij in contact met Gezelle die de eerste jaargangen nazag. Daniëls werkt mee aan de Woordentas en Loquela. Hij was tevens medestichter van Het Belfort, van De Banier en van het historische tijdschrift ‘L'Ancien Pays de Looz’. Na de dood van baron de Villenfagne in 1904 werd hij benoemd tot bestuurder van de broeders van Liefde in Hasselt en tot rector van het Begijnhof. In 1909 werd hij archivaris en conservator van het Stedelijk Museum van de stad Hasselt. In 1939 ging hij met pensioen te Hoeilaart. Hij stierf er op 3 december 1944.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
Bronnen https://hasel.be/dani%C3%ABls-polydoor-1845-1944

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamFaict, Joannes Josephus
Datums° Leffînge, 22/05/1813 - ✝ Brugge, 04/01/1894
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, professor, superior, erekanunnik, vicaris-generaal, coadjutor, bisschop
BioIn 1834 was J.J. Faict, zoon van Henri Faict, brouwer, en Marie Hellinck, laureaat van de retorica aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij werd doctor in de theologie, wijsbegeerte en letteren. Op 09 juni 1838 werd hij te Brugge door Mgr. Boussen tot priester gewijd. Hij werd professor kerkgeschiedenis en wetenschappen (12/01/1839) en professor theologie (oktober 1840) aan het grootseminarie in Brugge. Vanaf augustus 1849 tot oktober 1856 was hij superior van het kleinseminarie te Roeselare. Hij werd erekanunnik (29/12/1853) en vicaris-generaal van Mgr. Malou op 18/10/1856. In september 1862 werd hij huisprelaat van paus Pius IX en op 25/02/1864 coadjutor van Mgr. Malou. Hij was bisschop van Brugge van 18/10/1864 tot aan zijn dood in 1894.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezelleoverste; correspondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamRutten, Martin Hubert
Datums° Geistingen, 17/12/1841 - ✝ Luik, 17/07/1927
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; directeur; vicaris-generaal; bisschop
BioMartinus Rutten, geboren als zoon van Jan Rutten, landbouwer, en Petronella Zegers, was een Belgische bisschop van het bisdom Luik van 1902 tot zijn overlijden op te Luik op 17/07/1927. Hij werd in 1867 te Luik tot priester gewijd. Van 1873 tot 1877 was Rutten directeur van het kleinseminarie van Saint-Roch, waar hij als flamingant een Vlaamsgezinde invloed uitoefende op vele leerlingen (o.a. August Cuppens), en in 1875 een Davidsfondsafdeling stichtte. Daarna werd hij vicaris-generaal te Luik (1879-1910). Tijdens de schoolstrijd (1879-1884) speelde hij een vooraanstaande rol in de verdediging van het katholieke onderwijs. Op 2 januari 1902 werd hij tot bisschop van Luik gewijd. Hij moedigde de kennis van het Nederlands bij scholieren en volwassen aan, en streefde naar vernederlandsing van het onderwijs in Vlaanderen, zij het niet in het secundaire, dan toch in het hoger onderwijs. In 1894 steunde hij financieel de oprichting van het Brusselse dagblad Het Vlaamsche Volk. Na W.O. I onderschreef hij het minimumprogramma van Frans van Cauwelaert, ook al was hij niet met alle punten ervan akkoord, en verspreidde de eis tot uitvoering van koning Alberts beloften aan de Vlamingen. Met kardinaal Mercier stond hij, om politieke redenen, op gespannen voet. In 1920 werd hij nationaal erevoorzitter van het Davidsfonds en erevoorzitter van het eerste Katholiek Vlaamsch Congres. Rutten bleef wel trouw aan de Belgische eenheid en waarschuwde voor een toenemend anti-Belgisch radicalisme binnen de Vlaamse studentenbewegingen (1920-1925). Door zijn toedoen keerden de Limburgse studentenbewegingen zich af van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS) en op 11/10/1925 ondertekende hij samen met de andere bisschoppen de veroordeling van het Vlaams-nationalisme.
Links[wikipedia]
NaamCantillon, Florent Joseph Jean Emile; Cantillon, Emile
Datums° Hasselt, 16/02/1859 - ✝ Elsene, 27/04/1917
GeslachtMannelijk
Beroepbeeldhouwer
VerblijfplaatsArgentinië
BioFlorent Joseph Jean Emile Cantillon zag het levenslicht op 16 februari 1859 te Hasselt. Tijdens de periode 1878-1884 volgde hij een opleiding beeldhouwkunst aan de kunstacademies van Hasselt, Leuven en Brussel. Hij was vooral actief als maker van bustes. In de jaren 1880 vertrok hij naar Argentinië, waar hij zou trouwen met de Franse Emérence Maes. Na zijn terugkomst in België was hij te Brussel woonachtig. In 1905 echter verliet zijn leermeester Jules Courroit de academie van Hasselt. Cantillon werd aangeduid als opvolger en verhuisde terug naar Hasselt. Hij was er actief tot 1917 en moest toen zijn werkzaamheden wegens ziekte staken. Datzelfde jaar verhuisde hij naar Elsene, waar hij korte tijd later overleed.
Links[wikipedia]
Bronnen https://hasel.be/cantillon-emile-1859-1917
NaamBogaerts, Constantinus Josephus
Datums° Paal, 31/01/1812 - ✝ Zonhoven, 17/02/1891
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; directeur; diocesaan inspecteur; pastoor; : vicaris-generaal; erekanunnik; erekamerheer van de Paus
BioJosephus Constantinus Bogaerts werd op 31 december 1812 geboren in Paal in een landbouwersgezin. In 1830 begon hij aan zijn schoolloopbaan in theologie en filosofie aan het seminarie van Luik, waarna hij op 16 augustus 1835 tot priester gewijd werd. Tevens was hij enkele jaren actief als leraar aan het atheneum te Leuven (1837) en het kleinseminarie te Rolduc (1841). Zijn tijd in Leuven werd gekenmerkt door culturele en literaire inspanningen, zoals bijvoorbeeld het stichten van het studentengenootschap “Met Tijd en Vlijt” en bijdrages aan het blad “De Middelaer”. In 1842 werd hij directeur van de normaalschool in Sint-Truiden. Het jaar daarop werd hij diocesaan inspecteur voor het lager onderwijs in Limburg en in 1846 werd hij ere-kanunnik. Vervolgens was hij van 1849 tot 1852 leraar dogmatiek aan het grootseminarie in Luik en vanaf 1851 de titularis kanunnik van de Luikse kathedraal. In 1853 werd hij secretaris van het bisdom Luik. Hij moest echter een vijf jaar lange rustperiode nemen ten gevolge van spanning en oververmoeidheid. Hij werd daarna in 1858 pastoor te Guigoven. Nadat hij in 1861 benoemd werd tot vicaris-generaal van het bisdom Luik werd hij verheven tot kamerheer van Paus Pius IX. In 1875, nog geen 63 jaar oud, ging hij voorgoed op rust te Zonhoven waar hij op 17 februari 1891 overleed. Tijdens zijn leven was Bogaerts erelid van Utile Dulci in Sint-Truiden. Hij schreef theologische werken en was redactielid van De School- en Letterbode tussen 1844 en 1855.
Links[odis]
Bronnen https://www.paalonline.be/cms55/item/2432-kanunnik-bogaerts

Naam - plaats

NaamHasselt
GemeenteHasselt
NaamTielt
GemeenteTielt

Naam - instituut/vereniging

NaamGilde van Sinte-Luitgaarde
BeschrijvingVereniging ter ondersteuning van de Vlaamse taal en het traditionele cultuurgoed. Professor Jan Hendrik Bormans had in 1857 in de inleiding van zijn werk ‘Het Leven van Sinte Lutgardis, een oproep gedaan dat alle Vlamingen deze heilige als de beschermvrouw van de Dietse taal- en letterkunde zouden vereren. In 1862 rijpte bij Gezelle het plan voor een ‘Gilde van Sint-Luitgaarde’ die een tijdschrift voor taal en oudheid zou uitgeven. De leerlingen en vereerders van de bezieler zouden Luitgarde in hun banier opnemen, maar hijzelf zou geen leider worden van de gilde, die echter maar een kortstondig bestaan heeft gekend. Later, rond 1870, wist Gezelle te Brugge een groep beoefenaars van taal- en letterkunde rond zich te verenigen om samen de redactie van Rond den Heerd te bespreken. In 1873 richtten Amaat Vyncke en Zeger Malfait de Gilde der West-Vlaamse Gebroeders op, met Sint-Lutgart als patrones. Hun 'stemme' was eerst de 'Almanak' en daarna de 'Vlaamsche Vlagge'. Vanaf 2 december 1871 had Duclos de redactie van 'Rond den Heerd' in handen en ook hij besefte de nood aan een meer uitgebreide opstelraad. Hij riep in november 1873 enkele bekenden uit het Brugse bijeen. Na drie maanden op 14 februari 1874 was het statuut of wet voor de ‘Gilde van Sinte Luitgaarde’ klaar. De St.-Luitgaardegilde hield vier algemeene vergaderingen : in 1874, 1876, 1877 en 1878. Pieter Baes is griffier geweest gedurende de bloeitijd van de Gilde van Sinte Luitgaarde. Na zijn verwijdering uit Brugge in 1879 kwijnde de gilde weg.
Datering1874
Links[odis]

Naam - gebeurtenis Guido Gezelle

GebeurtenisRuitebrekersrede Tielt
Periode30/09/1885
BeschrijvingGezelle houdt een rede te Tielt, bij de herdenking van L.L. De Bo, waarin hij zich scherp afzet tegen ‘tuimelperten' en 'verwaande ruitebrekerije van machtelooze kinders', meer bepaald de actie van de Vlaamse studenten te Leuven.

Titel - ander werk

Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
TitelHet Belfort. Tijdschrift toegewijd aan letteren, wetenschap en kunst (periodiek)
AuteurClaerhout, Juliaan (redacteur)
Datum1886-1899
PlaatsGent
UitgeverS. leliaert, A. Siffer en Co
Links[dbnl], [odis]
TitelDe Vlaamsche Vlagge (periodiek)
Datum1875-1933
PlaatsBrugge
UitgeverDelplace

Titelxx/[05 ?/1886], Kortrijk, Guido Gezelle aan [Polydoor Daniëls]
EditeurMichael Gijbels
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMichael Gijbels, Gezelle Guido aan Daniëls Polydoor, Kortrijk (Kortrijk), xx/[05 ?/1886]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Daniëls, Polydoor]
Verzendingsdatumxx/[05 ?/1886]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieDatum, plaats en adressaat gereconstrueerd op basis van publicatie; originele brief is aanwezig in de Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis (AMVC) nr. G 3633/B (inschrijvingsnummer: 10398/A); Abeelding: Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis.
Gepubliceerd inGezelle-briefwisseling 1 : verzameling archief en museum voor het Vlaamse cultuurleven Antwerpen / door R.F. Lissens. - Antwerpen : De Nederlandsche Boekhandel, 1970, p.43-46
Fysieke bijzonderheden
Drager 209 mm x 135 mm
papiersoort: 4 zijden beschreven
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief12832, 17 (16)
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.25334
Inhoud
IncipitDank u voor uwen goeden brief.
Samenvatting Ruitenbrekerij van Gezelle in Tielt; Daniëls heeft hetzelfde gedaan in in Hasselt en Gezelle wenst hem geluk zoals de bisschop ook deed. Vermoedelijk gaat het over het optreden van Daniëls tijdens de gouwdag op 04/05/1886 in Hasselt georganiseerd door het "Limburgsche Gouwgilde" van de Leuvense studenten. Gezelle heeft August Cuppens gewaarschuwd om niets in "'t Daghet in den Oostenen" en "De Vlaamsche Vlagge" te schrijven. Gezelle keert zich tegen al de schreeuwende studenten die ijveren voor de Vlaamse zaak. Zij willen de "De Vlaamsche Vlagge" doen doorgaan als werk van Gezelle, maar Gezelle wil dat niet. Gezelle is zelfs geen lid willen worden van de Gilde van Sinte Luitgaarde en evenmin van de redactie van "Het Belfort". Hij wil wel lid worden van de (Limburgse) Lutgardisgilde maar hij wil geen voorzitter zijn. Hij klaagt erover dat zijn bijdragen aan "'t Daghet" door zetfouten ontsierd zijn. Hij verzoekt Daniëls om zijn brief als vertrouwelijk te beschouwen en komt nogmaals terug op erge vijanden van de Vlaamse zaak, die niet bij de overheid maar bij lager geplaatsten te vinden zijn. vermelding van August Cuppens, Emile Cantillon, Martinus Hubertus Rutten en Konstantijn Jozef Bogaerts
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.