Ad Majorem Dei Gloriam[1]
Loo, den 31 Maart 1880.[2]
Dank u Heere...
Dank u Heere, die mij ‘t leven in
uw’ goedheid hebt gegeven,
dank U, die mij trokt uit d’asch,
waar da‘k[3] in bedolven was;
uw’ goedheid hebt gegeven,
dank U, die mij trokt uit d’asch,
waar da‘k[3] in bedolven was;
die mij uit den poel der zonde
waar dat ik niet uit en konde,
neergevallen, hebt gered
en weer vrij op voet gezet.
waar dat ik niet uit en konde,
neergevallen, hebt gered
en weer vrij op voet gezet.
Dank u Heer, die mij ten koste
van uw dierbaar bloed verloste
dat gij hebt vergoten op
‘t kruis tot d’alderlaatsten drop.
van uw dierbaar bloed verloste
dat gij hebt vergoten op
‘t kruis tot d’alderlaatsten drop.
Anders mocht ik, ongeschapen,
nooit de vreugdeperels rapen
die in ‘t diepste van de zee
nog te vinden zijn – volwee!
nooit de vreugdeperels rapen
die in ‘t diepste van de zee
nog te vinden zijn – volwee!
Anders mocht ik u beminnen
nooit noch uwe liefde winnen,
hier op aard, maar altijd Heer,
ver van U zijn afgekeerd.
nooit noch uwe liefde winnen,
hier op aard, maar altijd Heer,
ver van U zijn afgekeerd.
’k 'n hadde nooit ‘t geluk bezeten
van der Eng’len spijze te’ eten,
van het bloed te drinken dat
uit uw wonden heeft gespat.
van der Eng’len spijze te’ eten,
van het bloed te drinken dat
uit uw wonden heeft gespat.
‘k ‘n hadde nooit mijn blikken mogen
heffen naar den schoonen Hoogen
noch verhopen dat ik eens
dáár met u wierd‘ heilsgemeen.
heffen naar den schoonen Hoogen
noch verhopen dat ik eens
dáár met u wierd‘ heilsgemeen.
‘k hadde ver van al uw kind’ren
die noch staal noch vier kan hind’ren
moeten onder Satans vaan
tegen U in ‘t slagveld staan.
die noch staal noch vier kan hind’ren
moeten onder Satans vaan
tegen U in ‘t slagveld staan.
‘k hadde in de eeuwigheid uit d’helle
mijnen laster op doen wellen
u vervloekt, vermaledijd
die mijn liefste minnaar zijt.
mijnen laster op doen wellen
u vervloekt, vermaledijd
die mijn liefste minnaar zijt.
Heere ik dank u duizendmalen
kon ik uwe liefd’ betalen
door ‘t vergieten van mijn bloed
Och! het sterven viel mij zoet.
kon ik uwe liefd’ betalen
door ‘t vergieten van mijn bloed
Och! het sterven viel mij zoet.
Maar gij vraagt mij niet het leven
voor al ‘t geen gij hebt gegeven.
Kind, uw minnend hert, zegt gij
zoo bedrukt weg, geef het mij.
Heer, indien ‘t u kan behagen,
‘k wil u wel mijn hert opdragen,
‘k schenk het u geheel en gansch,
u behoort het Heere thans
voor al ‘t geen gij hebt gegeven.
Kind, uw minnend hert, zegt gij
zoo bedrukt weg, geef het mij.
Heer, indien ‘t u kan behagen,
‘k wil u wel mijn hert opdragen,
‘k schenk het u geheel en gansch,
u behoort het Heere thans
Aldaar niet varen
Vriend en wil aldaar niet varen!
O! de wind zit ginder schuw,
en de woeste wereldbaren
zullen ‘t kranke bootjen uw
op hun hooge toppen drijven
en dan in den afgrond neer-
werpen, waar het eeuwig blijven
zal, en rijzen nimmermeer,
of het zoo geweldig botsen
voortgedreven door den wind
op de scherpe steenen rotsen
dat het in den afgrond zinkt
p2
O! de wind zit ginder schuw,
en de woeste wereldbaren
zullen ‘t kranke bootjen uw
op hun hooge toppen drijven
en dan in den afgrond neer-
werpen, waar het eeuwig blijven
zal, en rijzen nimmermeer,
of het zoo geweldig botsen
voortgedreven door den wind
op de scherpe steenen rotsen
dat het in den afgrond zinkt
p2
Laat u, laat u, niet bedriegen,
want de zee is vol bedrog
en de baarkes, ha, ze wiegen
nu zoo stille en zoetjes toch!
want de zee is vol bedrog
en de baarkes, ha, ze wiegen
nu zoo stille en zoetjes toch!
maar wee hem die ‘t dorste wagen
van te stieren daar zijn boot
eeuwig moest hij ‘t hem beklagen
ach! hij vond er zijne dood.
van te stieren daar zijn boot
eeuwig moest hij ‘t hem beklagen
ach! hij vond er zijne dood.
Want daar huilen felle winden
uit het noorden opgestaan
en zij komen ‘t bootje vinden
en zelve omverre slaan;
uit het noorden opgestaan
en zij komen ‘t bootje vinden
en zelve omverre slaan;
want daar staat er menig rotse
en zoo nauw zoo nauw bijeen
die er aan tegenbotste
scheurde daar zijn schuitje in tween
en zoo nauw zoo nauw bijeen
die er aan tegenbotste
scheurde daar zijn schuitje in tween
Een brief.
‘k Heb uren, uren lang gezocht
en soms tot zweetens toe gewrocht
om u een dicht te maken;
maar nimmer kon ik eene snaar
die m’ heimelijk kon leiden naar
uw herte en ziele, raken.
en soms tot zweetens toe gewrocht
om u een dicht te maken;
maar nimmer kon ik eene snaar
die m’ heimelijk kon leiden naar
uw herte en ziele, raken.
‘k heb ze al gevingerd die ik vond
in Hemel, bloem en blad en gers;
maar vruchtloos dat ik proefde
Geen een die mij van liefde sprak
en telken keer ik voelde da’k
een andre snaar behoefde.
in Hemel, bloem en blad en gers;
maar vruchtloos dat ik proefde
Geen een die mij van liefde sprak
en telken keer ik voelde da’k
een andre snaar behoefde.
En toch het is de die dat ik
zoo geren en zoo vuriglijk
eens had ontmoeten willen
maar voortgezocht. Ha! Niemand zal
zoolang mij niet de stem ontvalt
mijn lust tot zingen stillen.
zoo geren en zoo vuriglijk
eens had ontmoeten willen
maar voortgezocht. Ha! Niemand zal
zoolang mij niet de stem ontvalt
mijn lust tot zingen stillen.
Bezonderlijk wanneer ik mag
de snare die verdoken lag
tot heden toe, gevonden,
met mijne vingers roeren, en
den ingang van uw hert je ken
en ‘t gapen zijner wonden.
de snare die verdoken lag
tot heden toe, gevonden,
met mijne vingers roeren, en
den ingang van uw hert je ken
en ‘t gapen zijner wonden.
En daarom roer ik nog vandaag
een ander snaar en kom en vraag
-ik vonde ze verborgen …
in ‘t herte mijn – als zijn ‘t xxx
Ha was het nimmer weer het nu
geen weerklank heeft verworven.
een ander snaar en kom en vraag
-ik vonde ze verborgen …
in ‘t herte mijn – als zijn ‘t xxx
Ha was het nimmer weer het nu
geen weerklank heeft verworven.
Is het waar, Mijnheer, dat er geen verschil en bestaat tusschen achtingsvol en achtvol? Ik heb xxxden ‘t kan dat er daar groot verschil tusschen was. Ik weet niet, hoe gij u daarover uitspreekt.







