<Hit 694 of 2965

>

p1+
Ad Majorem Dei Gloriam[1]
Dank u Heere...

Dank u Heere, die mij ‘t leven in
uw’ goedheid hebt gegeven,
dank U, die mij trokt uit d’asch,
waar da‘k[3] in bedolven was;

die mij uit den poel der zonde
waar dat ik niet uit en konde,
neergevallen, hebt gered
en weer vrij op voet gezet.

Dank u Heer, die mij ten koste
van uw dierbaar bloed verloste
dat gij hebt vergoten op
‘t kruis tot d’alderlaatsten drop.

Anders mocht ik, ongeschapen,
nooit de vreugdeperels rapen
die in ‘t diepste van de zee
nog te vinden zijn – volwee!

Anders mocht ik u beminnen
nooit noch uwe liefde winnen,
hier op aard, maar altijd Heer,
ver van U zijn afgekeerd.

’k 'n hadde nooit ‘t geluk bezeten
van der Eng’len spijze te’ eten,
van het bloed te drinken dat
uit uw wonden heeft gespat.

‘k ‘n hadde nooit mijn blikken mogen
heffen naar den schoonen Hoogen
noch verhopen dat ik eens
dáár met u wierd‘ heilsgemeen.

‘k hadde ver van al uw kind’ren
die noch staal noch vier kan hind’ren
moeten onder Satans vaan
tegen U in ‘t slagveld staan.

‘k hadde in de eeuwigheid uit d’helle
mijnen laster op doen wellen
u vervloekt, vermaledijd
die mijn liefste minnaar zijt.

Heere ik dank u duizendmalen
kon ik uwe liefd’ betalen
door ‘t vergieten van mijn bloed
Och! het sterven viel mij zoet.

Maar gij vraagt mij niet het leven
voor al ‘t geen gij hebt gegeven.
Kind, uw minnend hert, zegt gij
zoo bedrukt weg, geef het mij.
Heer, indien ‘t u kan behagen,
‘k wil u wel mijn hert opdragen,
‘k schenk het u geheel en gansch,
u behoort het Heere thans

Aldaar niet varen

Vriend en wil aldaar niet varen!
O! de wind zit ginder schuw,
en de woeste wereldbaren
zullen ‘t kranke bootjen uw
op hun hooge toppen drijven
en dan in den afgrond neer-
werpen, waar het eeuwig blijven
zal, en rijzen nimmermeer,
of het zoo geweldig botsen
voortgedreven door den wind
op de scherpe steenen rotsen
dat het in den afgrond zinkt
p2




Laat u, laat u, niet bedriegen,
want de zee is vol bedrog
en de baarkes, ha, ze wiegen
nu zoo stille en zoetjes toch!

maar wee hem die ‘t dorste wagen
van te stieren daar zijn boot
eeuwig moest hij ‘t hem beklagen
ach! hij vond er zijne dood.

Want daar huilen felle winden
uit het noorden opgestaan
en zij komen ‘t bootje vinden
en zelve omverre slaan;

want daar staat er menig rotse
en zoo nauw zoo nauw bijeen
die er aan tegenbotste
scheurde daar zijn schuitje in tween






Een brief.

‘k Heb uren, uren lang gezocht
en soms tot zweetens toe gewrocht
om u een dicht te maken;
maar nimmer kon ik eene snaar
die m’ heimelijk kon leiden naar
uw herte en ziele, raken.

‘k heb ze al gevingerd die ik vond
in Hemel, bloem en blad en gers;
maar vruchtloos dat ik proefde
Geen een die mij van liefde sprak
en telken keer ik voelde da’k
een andre snaar behoefde.

En toch het is de die dat ik
zoo geren en zoo vuriglijk
eens had ontmoeten willen
maar voortgezocht. Ha! Niemand zal
zoolang mij niet de stem ontvalt
mijn lust tot zingen stillen.

Bezonderlijk wanneer ik mag
de snare die verdoken lag
tot heden toe, gevonden,
met mijne vingers roeren, en
den ingang van uw hert je ken
en ‘t gapen zijner wonden.

En daarom roer ik nog vandaag
een ander snaar en kom en vraag
-ik vonde ze verborgen
in ‘t herte mijn – als zijn ‘t xxx
Ha was het nimmer weer het nu
geen weerklank heeft verworven.

Is het waar, Mijnheer, dat er geen verschil en bestaat tusschen achtingsvol en achtvol? Ik heb xxxden ‘t kan dat er daar groot verschil tusschen was. Ik weet niet, hoe gij u daarover uitspreekt.

Annotations

[1] Vertaling (Latijn): Tot meerdere eer van God.
[2] J. Noterdaeme stuurde zijn eerste brief naar Gezelle op 09/03/1881, dit na een huisbezoek bij Gezelle waarbij die hem vroeg om woorden te verzamelen uit zijn streek. Vermoedelijk werden deze gedichten dan met zijn eerste brief meegestuurd.
[3] Het is niet duidelijk of de doorstreping van ‘da’ door Gezelle achteraf gebeurd is, het kan ook door Noterdaeme zelf doorstreept zijn op deze netversie.
Vertaling (Latijn): respect, eerbied, ontzag. Aandacht dus.

Register

Correspondents - persons

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NameNoterdaeme, Jerome; Noterdaeme, Hieronymus; Noterdaeme, Jeroom
Dates° Lo, 03/07/1862 - ✝ Sint-Andries, Brugge, 01/01/1933
SexMannelijk
Occupationadvocaat; ambtenaar; directeur; dichter
BioJerome Noterdaeme werd geboren te Lo op 3 juli 1862 als zoon van Philippus Jacobus Noterdame (landbouwer) en Amelia Virginia Dewitte (dienstbode). Hij liep eerst school aan het bisschoppelijk college te Veurne. Als student bezocht hij in 1881 Guido Gezelle bij hem thuis in Kortrijk, die hem vroeg om woorden uit zijn streek te verzamelen. Vanaf dan begonnen ze te corresponderen, waarbij Noterdaeme Gezelle naast taalmateriaal ook zijn eigen gedichten bezorgde. Op 16 augustus 1882 zwaaide hij af als rhetoricaleerling. Nog dat zelfde jaar startte hij met zijn studies rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Op 21 december 1886 was hij nog student rechten te Leuven waar hij deelnam aan de pensionering van professor Van Biervliet. Op 1 september 1887 werd Jerome Noterdaeme benoemd tot avoué bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Tijdens die periode ontving hij de Guido Gezelle in zijn huis. Op 12 april 1888 legde hij dit ambt neer. Hij verhuisde naar Brugge en werd op 13 februari 1888 benoemd is tot bureauchef bij het provinciebestuur in Brugge. Later werd hij directeur bij het provinciebestuur. Op 10 april 1888 trad hij te Brugge in het huwelijk met Marie Louise Augusta Catharina Roger (1865-1899). Het echtpaar kreeg zes kinderen. Het gezin verbleef in Collard Mansionstraat, 10 te Brugge. Na 1900 luidt het adres Langerei 30. Als auteur publiceerde hij juridische werken, proza en gedichten waaronder heel wat gelegenheidsgedichten die vaak op muziek werden gezet. Hij publiceerde ook artikels in het tijdschrift "Biekorf". Hij was bijzonder actief in het Davidsfonds zowel lokaal als bovenlokaal. In 1924 was hij medestichter van de vereniging die de oprichting van het Gezellemuseum organiseerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezellezanter (WDT); correspondent
Sources http://www.historischekranten.be

Sender

NameNoterdaeme, Jerome; Noterdaeme, Hieronymus; Noterdaeme, Jeroom
Dates° Lo, 03/07/1862 - ✝ Sint-Andries, Brugge, 01/01/1933
SexMannelijk
Occupationadvocaat; ambtenaar; directeur; dichter
BioJerome Noterdaeme werd geboren te Lo op 3 juli 1862 als zoon van Philippus Jacobus Noterdame (landbouwer) en Amelia Virginia Dewitte (dienstbode). Hij liep eerst school aan het bisschoppelijk college te Veurne. Als student bezocht hij in 1881 Guido Gezelle bij hem thuis in Kortrijk, die hem vroeg om woorden uit zijn streek te verzamelen. Vanaf dan begonnen ze te corresponderen, waarbij Noterdaeme Gezelle naast taalmateriaal ook zijn eigen gedichten bezorgde. Op 16 augustus 1882 zwaaide hij af als rhetoricaleerling. Nog dat zelfde jaar startte hij met zijn studies rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Op 21 december 1886 was hij nog student rechten te Leuven waar hij deelnam aan de pensionering van professor Van Biervliet. Op 1 september 1887 werd Jerome Noterdaeme benoemd tot avoué bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Tijdens die periode ontving hij de Guido Gezelle in zijn huis. Op 12 april 1888 legde hij dit ambt neer. Hij verhuisde naar Brugge en werd op 13 februari 1888 benoemd is tot bureauchef bij het provinciebestuur in Brugge. Later werd hij directeur bij het provinciebestuur. Op 10 april 1888 trad hij te Brugge in het huwelijk met Marie Louise Augusta Catharina Roger (1865-1899). Het echtpaar kreeg zes kinderen. Het gezin verbleef in Collard Mansionstraat, 10 te Brugge. Na 1900 luidt het adres Langerei 30. Als auteur publiceerde hij juridische werken, proza en gedichten waaronder heel wat gelegenheidsgedichten die vaak op muziek werden gezet. Hij publiceerde ook artikels in het tijdschrift "Biekorf". Hij was bijzonder actief in het Davidsfonds zowel lokaal als bovenlokaal. In 1924 was hij medestichter van de vereniging die de oprichting van het Gezellemuseum organiseerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezellezanter (WDT); correspondent
Sources http://www.historischekranten.be

Recipient

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Place

NameLo
SettlementLo-Reninge

Name - place

NameLo
SettlementLo-Reninge

Index terms

Correspondents - persons

Gezelle, Guido
Noterdaeme, Jerome

Name - place

Lo

Place

Lo

Recipient

Gezelle, Guido

Sender

Noterdaeme, Jerome

Title31/03/1880, Lo, [Jerome Noterdaeme] aan [Guido Gezelle]
EditorKarel Platteau
PrincipalEls Depuydt
Funder Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
PublisherGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Publication PlaceBrugge, Gent
Publication Date2026
Availability Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CitingKarel Platteau, Noterdaeme Jerome aan Gezelle Guido, Lo (Lo-Reninge), 31/03/1880. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
Sender[Noterdaeme, Jerome]
Recipient[Gezelle, Guido]
Date Sent31/03/1880
Place SentLo (Lo-Reninge)
AnnotationAdressant gereconstrueerd op basis van het handschrift; adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitites van Gezelle: de brief bevat aanvullingen en correcties van Guido Gezelle in purperen inkt; bijgevoegde transcriptie gemaakt door Robert Lagrain.
Physical Description
Support Material 1 enkel vel, 190 mm x 130 mm
papier, wit
papiersoort: 2 zijden beschreven, inkt
Condition volledig; maar in slechte staat; de afzonderlijke stukken zijn met plakband weer aan elkaar gekleefd; afbrokkeling aan zijkanten
Manuscript Identification
CountryBelgië
PlaceBrugge
RepositoryGuido Gezellearchief
ID Gezelle ArchiveAanw. 140
Library recordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.25137
History 2014, Schenking erven Robert Lagrain
Content Description
IncipitDank u Heere...
Summary drie gedichtenvan J. Noterdaeme: "Dank u Heere...", "Aldaar niet varen" en "Een brief"
Text Typebrief
LanguagesNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.