o dichter, groote dichter,
uw naam en ‘t bly genot
van God
dat op uw wezen speelt;
uw beeld
en vrome dichterziel
zoo wonderschoon -
doordringt myn geest en herte!
-
o dichter, groote dichter:
de zoete en grootsche stem
van Hem
die ‘t al geworden liet
uit niet;
die tot zyn schepsel zei:
“Ik bem die bem![1] -
doordringt myn geest en herte!
-
p2o dichter, groote dichter,
het lieve, bly gedacht,
dat nacht
nog dag my ruste laat,
noch staat:
“o ware ik toch uw kind
uw dichterkind” -
Verteert en pynt myn herte!
-
o dichter, lieve dichter,
myn hert, hoe broos aan God-
-s gebod,
hoe arm en krank derby
het zy:
Ik geef het God en U -
myn schuldg ... minnend herte!
. . . . . . . . .
t Is gy die my immers het leven
en Jesus, en al! hebt gegeven.
gy gaaft my den hevigen gloed
zoo zoet
die my aan der hemelen bindt;
p3gy deedt my het brandende woelen
gevoelen
der ziele die Jesus bemint.
K gevoele zoo dikwyls die minne
van binnen
in ‘t onrustig herte myn:
en moest ik, o Jesus, die derven,
K zou sterven,
‘K zou sterven, van ydelheid en pyn!
O Jesus, gy hebt door uw boomende[3] stralen
myn ziele geraakt en verblend;
gy hebt met een vlammende pyl
myn herte doorboord en gebrand!
Ach! kome haast de Zalige stonde
wanneer myne smachtende ziele
zal breken en vliegen ten hemel.
Intusschen, myn Jesus, myn minlyke Jesus,
ik geef u myn herte! Bewaert het
en geeft het my nimmermeer weêr!..”
p4gy hebt my dit minnende leven
en Jezus en alles! gegeven.
................
o neen! ‘t en is geen zonde
die in uw dichten zit
maar wel den zang der ziele
die weent omdat zy bidt!
“gy zondaar die niets zoekt dan
valsch genot,
Weg!! hier is geen zonde:
hier is God!
-
En als myn ydel herte,
noch mensche lyden kan
noch troost; en treurt !.. ik leze
ik leze uw dichten dan:
en ‘k voel hem ryzen, ryzen,
de heeten gloed
zoo sterk; zoo machtig dat ik
bidden moet!
-
p5
Den Zeer Eerweerden Heere
Guido Gezelle
uit liefde en dankbaarheid.
_________________
Si come cera da suggello
que[4] la figura impressa non trasmuta
segnato è or da voi lo mio cervello!
Dante. Purgatorio XXXIII 27[5]
en de “booze” myn ruste kwam stooren,
en verlostet myn wankele ziele?.
en gezoend op myn gloeiende lippen!
en dan knielende zonk voor den Heere,
en de mensche zoo kleene zoo: kleene is:
omdat alles my scheen verlaten!
maar ik bad of ik zei uw gedichten...
en gedrukt op myn gloeiende lippen!..
+







