Ik bedanke bij dezen zijne Hoogweerdigheid en uwe eerweerde voor den toegezonden brief.[1]
Zijn de Meditationes van zijne Hoogweerdigheid nievers, als Godgeleerd werk, beoordeeld geweest?[2] Zoo ja, ik zou de beoordeelinge vertalen en mijn vriend en inteekenaar Eug. De Lepeleer, leeraar te S. Niklaas, verzoeken de Vlaamsche vertalinge der Meditationes ervan te beoordeelen en in ‘t Belfort te zetten. Ik denke dat er niemand en durft noch en kan de Meditationes beoordeelen. Ware ik als zijne hoogweerdigheid, ik schreef zelve een omtrek, een overzicht van geheel ‘t werk, zeggende wat het is of zal zijn; dat wederom zou ik kunnen vervlaamschen en met bij beoordeelinge, wat het Vlaamsch betreft, van De Lepeleer laten drukken.
Ik ben te wege naar den gewezen zendeling in Engeland, den eerweerdep2Scherpereel, nu te Pitthem te gaan of te schrijven, om te weten of hij geen engelsche vertalinge en zou willen en kunnen maken. Vond zijne Hoogweerdigheid dat ik het beter alzoo liete, schrijft mij, a.u.b. een woord.
Hierbij ligt een brief[3] van eenen theologant uit het groot Seminarie te Gent; misschien zou zijne Hoogweerdigheid hem willen lezen, maar ik zou hem geren, als bewijsstuk terug hebben.
Ik heb 5 inteekenaars te Roomen en in ‘t geheel zijnder nu boven de 500, daaronder 2 bezorgd door M Fonteyne onderpastor te Zarren,[4] 8 door Mr Fel. Devos, onderp. te Thorhout,[5] enz.
Ik zal ook schrijven naar L. Aerts, in ‘t sem. te Luyk den zender van de u terugkomende briefkaarte.







