Wat gij doen kunt en van nu af doen moet is ‘t gene ik beklage niet genoeg gedaan te hebben: aanteeken, bewaren en van langer hand aan schikken en bedeelen.[1]
Bij voorbeeld, gij leest of gij vindt, ‘t is gelijk hoe of waar, iets dat weet- en bewarensweerdig voorenkomt, neemt een stuk papier, uit veel stukken gelijker grootte, zet aan ‘t hoofd een woord, ‘t bezonderste van ‘t gevondene; zet onder dat woord den boek, de plaatse, de bladzijde enz. waar gij ‘t gevondene kunt wedervinden; legt dan elk blad ABC abc wijze in uwen tasch en, in korte jaren, zult gij vele, eenen grooten schat vergaand en bewaard hebben. Bovendien zult gij ‘t gevondene kunnen meêdelen en ‘t gene andere hebben of weten bij het uwe vergelijken. Gij en behoort niet te wachten naar De Bo’s idioticon; de vergelijking van ‘t uwe bij ‘t zijne of ‘t mijne kan later geschieden, met dit voordeelp2daaraan en bij, dat hetgene dat eerstmaals gelijk scheen naderhand verschillig blijkt. Het gene waar gij best meê beginnen zoudt is ‘t voortzetten van ‘t gene gij mij reeds overgebriefd hebt; ‘t en zijn maar woorden maar woorden omkleeden zaken, en de een zake wijst den weg naar de andere. Gij zoudt b.v. die spreuke hooren: “den inslag en is de keten niet weerd” teekent aàn 1°: Den inslag en is de keten niet weerd, op een blad; op een tweede blad 2°: Keten, zie den inslag; op een derde, 3°: Inslag, zie den inslag; op een vierde, 4°: -slag, zie inslag; op een vijfde 5°: Weven, zie den inslag. Ik heb mijn voorbeeld wat verbrod, ik zou ‘t moeten herschrijven, maar de tijd ontbreekt mij.







