Ik moet het u seffens schrijven hoe gij mij verblijd hebt met uwen brief,[1] Ik verwachtte ievers uit Friesland bevestiging van mijn gewaagd vermoên[2] dat het woord mollebier[3] bestond, en daar, ‘t is gij die ‘t mij thuis brengt! ‘t Bestaat toch zoo, en doet het niet, en met dien eigensten zin? Hoe wonder dat een verloren stik westvlaamsch, dat nog uit de hollandsche woordenboeken niet gekuischt en is, eindelijk te passe komt voor dien haze op te jagen uit de malsche klaver die te Loo bloeit! En dat gij mij dien vond te huis brengt! Leeft moeder nog,[4] moeder die met u, op nen zekren dag, te mijnen gekomen is? Dat is al wat geleên, doet het niet, en gij hebt toch stand en woord gehouden, en zijt nog de goede vlamingp2die zijne eigene moedertale de moeite weerd acht om te blijven vasthouden en ja dichterlijk beoefenen. Dat doet mij oprecht deugd.
Veel schoone woorden behelst uw brief, die bij de andere zaken die al uitgeschreven, elk op zijn bladtje, bewaard liggen, benevens uw wel gebladmerkte handschriften tegen dat ik zou twijfelen.
Ben tegenwoordig bezig met Hiawatha van Longfellow overdichten,[5] de 56e bladzijde is afgedrukt;[6] menig woord van u zal der inkomen,[7] onder ander uit uwen laatsten (niet alderlaatsten!) brief.
Hierbij een proeverke kladprente[8] dat dezelfste post u brengen zal wegens







