<Resultaat 2964 van 2965

>

p1
Mijn achtbare Heer en goede Vriend.[1]

Al diks hadde ik geklaagd omdat ik Arth. niet en zag en van ulieden al geen nieuws en kreeg. Toch leeft gij allen nog, zoo ’t schijnt en geblijkt aan uwe goede brieven[2] en hooggeschatte zende, waarover dank en nogmaals dank. De Loquela’ s zullen u, hope ik, namate zij gereed geraken, toegezonden worden.[3]

Voor ’t slegen van een weekende wand” is mij moeielijk om verstaan,[4] bij gebrek van verder bescheed, of de zin oud, nieuw gedrukt, limburgsch, brabantsch is of te welker gelegentheid gebruikt. Slegen, ook slein (g = i), sleine is regen, druppelende vochtigheid; een weekende wand kan een week wordende muur zijn, een wakke vochtige muur.[5]

Himpen = hinken of mogelijks doen himpen ───k─?[6] Men doet de peerden himpen die achter huns meesters lijk gaan; of uw gehimpt peerd zulk een is en wete ik.[7]

t Ware mij een groot genoegen mocht ik den tweedeeligen ouden boek[8] waarp2van sprake in uwe brieven lezen en er mijnen honing uithalen. Voorzeker zou hij mij de alderkostelijkste uitkomsten leveren, oordeelens na ’t gene gij mij ervan meedeelt. Eensater is zulk een die eene eenzate (hermitage) bewoont; gichtig = jichtig (podagra)[9] ofwel giftig (ch = f) aangestorven gekregen door erf- & sterfgeval; pijpen en bongen (ng = mm) bommen, trommels; te hant = straks; weldig zijn = in zijn geweld (macht) hebben lufter = luchter lochter hand, (laevâ) enz. Zeg mij, hoe daar aan gerocht ?

Ik was al lange beschaamd in mij zelve van den Student voor nieten te ontvangen,[10] dat is zonder geldelijke of andere erkentenisse. Wilt gij mij voort uwe woorden zenden, ik zal ze ter uitgave bereiden, te weten de merkweerdigste, die nog niet geboekt en zijn, en dan kan er de Student mêe doen ‘t gene hij te wege is. Laat ze eerst deur mijne handen gaan en alzoo zal de Student eenen dankbaren westvlaamschen medewerker heb-p3ben, dien hij niet bij name noemen en moet. Ik zal den student aanhalen in Loquela en hij Loquela zoo hij ‘t goed vindt. Niets en zou mij aangenamer zijn als met mijne twee handen deel maken van eene groote ronde Vlamingen Limburgers Brabanders Friezen, die heel ‘t land daar men dietsch spreekt zou omsnoeren. Wat en doen de vijanden, de fransche vijanden toch al niet! Bewijs daarvan het ingesloten voddeken parijsch papier,[11] dat gij zult gelieven rond te toogen aan de zangers of zanters.

Ik zal U (voor al de andere met u) een uittrek zenden van mij, uit een fransch werk[12] dat gij misschien kent, en Prof Daris ook een, tot bewijs dat mijn drijven niet en is om ‘t fransch schâ te doen, maar om ’t gene ons door ‘t fransch in de mage gestopt wordt af te wenden Laat ons al doen dat immers mogelijk is opdat ons volk, onze stam toch zou meer achtinge krijgen voor ‘t gene hem eigen en goed gebleven is, en toch niet meerp4gelooven dat er geen zaligheid en is ’t en zij in de parijsche werelddomheid en goddelooze ontuchtigheid

Het spijt mij dat gij sommige woorden, waarbij ik iets aangeteekend hadde terug houdt. Waarom niet een enkel woord maar een op elk stuk papier gezet? Waarom niet daar of daar gelijke papierstukken bij een gekregen of doen krijgen, en daarop geschreven beginnende aan den slinkerhandschen hoek van den langsten of hoogsten kant? ’t Ware gemak voor mij.[13]

Daar zitten een of twee raadsels, spreuken enz. onder uwe gezante woorden en wendingen geen een geen half van die en moogt gij voor bijgaan. Onze talen en verschillen eigentlijk niet vele ‘t en zij van uitsprake, b. v. van ons oud woord märelhaan[14] maakt gij (mrlhaan, brlhaan, blhaan) blaan[15] Zoo zeggen wij brmite = fransch marmite, bsanden = mishanden[16] enz. Zulke en meer bemerkingen voege ik bij uwe woorden, zoo gij wilt, ten dienste van den Student.

En nu Godevolen![17]
Guido Gezelle.

Noten

[1] Gepubliceerd in A. Cuppens, ‘De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 57-58. Cuppens noteerde als inleiding: "Hier is nu 't antwoord van den Meester op al 't vorige; het werd dezen keer verzonden op de thuiswijzing van L. W. J. Lenaerts, (zeker om ons niet afgunstig te maken ondereen).”
[2] A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 54 noteerde Cuppens: ” Hier volgt nu een dubbel briefke en nog een volgende brief die wij J.L. en ik naar G.G. schreven in november 1883 en waar wij het achterstaande antwoord op ontvingen.

Het betreft de brieven van A. Cuppens en J. Lenaerts van de 8/11/1883 en een brief van hen beiden op 24/11/1883.

[3] Lenaerts vroeg in de brief van 08/11/1883 aan Gezelle: ”Zoudt gij, eerweerde heer, de goedheid willen hebben van ons Loquela te doen zenden? — Maar hoe? Zoudt gij ons de nummers van Mei tot November '83 nog kunnen sturen?”
[4] De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 58 noteerde Cuppens de volgende voetnoot: “Ik geloof het wel: J.L. had het w. wond onduidelijk geschreven, zoo dat G.G. las wand.”
[5] J. Lenaerts vroeg in zijn brief aan G. Gezelle van 8/11/1883: ”Wat beteekent : weekende, in deze uitdrukking: voor ’t slegen van eene weekende wond? ”
[6] ’Himken’ als variant toegevoegd boven het woord ’himpen’. De streepjes verwijzen naar de letters eronder.
[7] J. Lenaerts vraagt in zijn brief aan G. Gezelle van 8/11/1883: ”Wat verstaat men door: een gehimpt peerd? ”
[8] Cuppens liet in zijn brief van 08/11/1883 aan Gezelle weten dat De wech der Saligheydt, gedruct te Utrecht in 1486 en der Sielen Troest gedruct te Herlem in 1484, bijeengebonden in een boek, in de bibliotheek van het grootseminarie te Luik stonden.
[9] Jicht of podagra, in de volksmond ook wel het pootje genoemd, is een pijnlijke reumatische ontsteking gekenmerkt door gekristalliseerd urinezuur in een gewricht. (Wikipedia)
[10] De redactie van de ’de Student‘ stelde volgende werkzijze voor. Stuur de woorden en wendingen van de Limburgse zanters naar ons en wij publiceren de lemmata. Mijnheer Gezelle ontvangt ons ’jongenstijdschrift‘ gratis. Zo beschikt hij meteen ook over het Limburgs materiaal. Dit laat Cuppens aan G. Gezelle weten in zijn brief van 24/11/1883.
[11] A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 59 noteerde Cuppens volgende voetnoot: ”Dit voddeke was een dom en gemeen spotprintje uitgegeven door de beruchte Leo Taxil, droever gedachtenis. G.G. had er een versje opgeschreven, waarvan ik onthouden heb:

Frankrijk

Mank Rijk

Krank Rijk

Stank Rijk

Lang Rijk?”

[12] A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 59 noteerde Cuppens in voetnoot: ”Etude sur le nom d’Aigidios, (Gilis) et sur les transformations qu’il a subies dans les diverses langues.” Deze taalkundige beschouwingen werden opgenomen in Ernest Rembry, Saint Gilles, sa vie, ses reliques, son culte en Belgique et dans le Nord de la France. Brugge: Gaillard,1881. Zie ook: J. Boets, Een vriendendienst. Twee teksten van Guido Gezelle voor Ernest Rembry. In: Gezelliana 4 (1973) p. 123-129.
[13] Dat is de manier waarop de woordentasfiches van Guido Gezelle eruitzien. Zo kon Gezelle de fiches van de Limburgers gemakkelijk integreren in zijn eigen taalcollectie.
[14] Märelhaan = merel.
[15] In: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 1, p. 1 noteerde de redactie in de 1ste woordezange: ”Blaan, den Merel. Te Vlijtingen en omstreeks. De Vlamingen heeten onzen blaan merelhaan; dat w. en verstaan sommigen niet meer en verzetten dus de stemzaat van merel op haan, sprekende van mrlhaan; dit laatste zal brlhaan, blhaan en eindelijkik blaan geworden zijn. Vrglk. ’t vl. bshanden voor mishanden, brmite voor marmite, enz.”.
[16] Mishanden = belemmeren
[17] MNW 1250-1550: "Godevolen (bijvoeglijk naamwoord): aan God en zijne bescherming aanbevolen.”

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik (in Verviers, maar ook in Laar in Vlaams-Brabant, Halen in Limburg, onderpastoor in Luik, Sint-Gillis, pastoor (07/1888) en te As in Limburg (08/1897).
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NaamDaris, Arnold Josephus Matheus; Daris, Joseph
Datums° Borgloon, 18/09/1821 - ✝ Borgloon, 11/09/1905
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; professor; bibliothecaris; archivaris; historicus; auteur
BioArnold Josephus Matheus Daris werd op 18 september 1821 geboren te Borgloon, als zoon van Martin Daris (1777-1835), gemeentesecretaris en vrederechter, en Maria Christina Kalcker (1785-1849). Jozef volgde klassieke humaniora in Tongeren en Rolduc, en studeerde filosofie en theologie aan het Grootseminarie van Luik. Daris werd er op 21 december 1844 tot priester gewijd. Hij doceerde van 1851-1854 Grieks en apologetiek aan het pas opgerichte Kleinseminarie te Sint-Truiden, en van 1854 tot 1897 canoniek recht en kerkgeschiedenis aan het Grootseminarie te Luik. Daarna bleef hij er als bibliothecaris en archivaris wonen. Als studax en autodidact bekwaamde hij zich in de historiografie en bronnenstudie. Zij grote passie vertaalde zich in ontelbare historische werken over zijn geboortestad Borgloon, het prinsbisdom Luik, en de kerken van het diocees. Daarnaast zagen de “Praelectiones canonicae quas in seminario leodiensi habuit Josephus Daris” het licht in Luik tussen 1861 en 1865. Dat zijn drie gepubliceerde delen van colleges over canoniek recht. Daris werd titulair kanunnik in 1880. Op 83-jarige leeftijd nam Josephus Daris zijn intrek bij zijn nicht in Borgloon en overleed er kort nadien op 11 september 1905.
Links[odis]
Bronnen https://gw.geneanet.org; https://www.daris.be/daris.htm
NaamJogand-Pagès, Marie Joseph Gabriel Antoine; Taxil, Léo; de Regis, Paul; Ricoux, Adolphe; Manin, Prosper; (Miss) Vaughan, Diana; Savarin, Jeanne; Volpi, Carlo Sebastiano; (Dr) Bataille
Datums° Marseille, 21/03/1854 - ✝ Sceaux, 31/03/1907
GeslachtMannelijk
Beroepschrijver; journalist
VerblijfplaatsFrankrijk
BioMarie Joseph Gabriel Antoine Jogand-Pagès, beter bekend onder het pseudoniem Léo Taxil, was een Frans schrijver en journalist. Taxil werd op 21 maart 1854 te Marseille geboren in een royalistisch en katholiek gezin. Als kind liep hij weg van huis en werd door zijn ouders in een jezuïetenseminarie geplaatst. Daar ontwikkelde hij sterke antiklerikale gevoelens. Vanaf 1875 begon hij te publiceren, zoals het artikel “Plus de Cafards in ‘Bibliothèque Anticléricale’” 6 (1880), Paris, met als motto ‘La République sera anti-cléricale ou ne sera pas’ en “La Bible Amusante” (1882) met spotprenten van een zekere Frid'rick. In 1886 bekeerde hij zich plotseling tot het katholicisme en kreeg absolutie van paus Leo XIII. Zijn scherpe pen en pijlen richtte hij voortaan op de vrijmetselarij. Hij stichtte de krant “La France chrétienne anti-maçonnique”. De kerkelijke overheden ontvingen deze bekeerling met open armen. Op 19 april 1897 onthulde hij op een conferentie in de grote zaal van de Société de Géographie in Parijs, in aanwezigheid van vele geestelijken, dat zijn beschuldigingen van duivelse en geheime rituelen aan het adres van de vrijmetselarij en de bij naam genoemde getuigen ten laste, literaire fictie waren. De katholieken waren woest en voelden zich diep gekrenkt. Daarna trok hij zich terug uit het openbare leven en werkte als corrector in een drukkerij van Sceaux. Hij stierf er op 31 maart 1907. Tot op vandaag wordt er gewag gemaakt van de ‘Taxil-hoax’.
Links[wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelDe Student: tijdschrift voor het Vlaamsch Studentenvolk (periodiek)
AuteurJanssen, Gustaaf; Laporta, August (red.) e.a
Datum1881-1930
PlaatsLeuven; Lier; Brussel; Laken
Uitgever[s.n.]
Links[odis]
TitelDer Sielen Troost
Datum1484
PlaatsHaarlem
UitgeverStads drukker Enschedé
TitelSaint Gilles, Sa vie, ses reliques, son culte en Belgique et dans le Nord de la France. Essai d'hagiographie
AuteurRembry, Ernest
Datum1881-1882
PlaatsBrugge
UitgeverEdward Gailliard

Titel[24/11/1883 t.p.q. - 12/12/1883 t.a.q.], Kortrijk, Guido Gezelle aan [August Cuppens en Leonard Willem Jakob Lenaerts]
EditeurMiet Hubrechts
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts, Gezelle Guido aan Cuppens August, Kortrijk (Kortrijk), [24/11/1883 t.p.q. - 12/12/1883 t.a.q.]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Cuppens, August]
Verzendingsdatum[24/11/1883 t.p.q. - 12/12/1883 t.a.q.]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieT.a.q gereconstrueerd op basis van andere brief: voor brief van G. Janssens aan G.G van 12/12/1883 (nr. 5375), waarin Janssens op de hoogte is van de inhoud van deze brief; t.p.q. en tweede adressaat (Lenaerts) gereconstrueerd op basis van de publicatie: "Hier is nu 't antwoord van den Meester op al 't vorige, het werd dezen keer verzonden op de thuiswijzing van L. W. J. Lenaerts, (zeker om ons niet afgunstig te maken ondereen)." De brief is een antwoord op brieven van A. Cuppens en L. Lenaerts aan G. G. van 08/11/1883 (nr. 5367 en nr. 5367) en 24/11/1883 (nr. 5370); de brief is dus zeker geschreven na 24/11/1883 (dus eind november, begin december; plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Gepubliceerd inDe eerste “’t Daghetjongens“ en Guido Gezelle. / door August Cuppens. - In: ‘t Daghet in den Oosten. - Jrg. 26 (1910) nr.4, p.57-58
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 209 mm x 136 mm
papier, wit, rechthoekig geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan de Limburgsche Gilde ; idem rechts: [November 1883 ?] (inkt, beide hand P.A.) ; op zijde 1 linksboven: (3) (potlood, onbekende hand)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8594
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.17002
Inhoud
IncipitAl diks hadde ik geklaagd omdat ik
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.