<Resultaat 2965 van 2965


p1
Eerweerde Heer en Vriend(of vrienden?)[1]

Over 25 jaar heb ik gedaan wat gij komt te doen; ik had namelijk een zeker getal vlaamsche woorden vergaard en zond ze naar (eenen Limburger ?) Profr Bormans, zaliger, zoo gij, Limburgers, nu, naar eenen vlaming, uwen limburgschen oest zijt zendende. Profr Bormans heeft mij eerst van al en meest van al aangemoedigd en ik ben oprecht blij ulieden de schuld te betalen die zijne geleerde goedheid bij mij gelaten heeft. Onlangs heb ik van Prof Vercoillie, (Athenaeum te Luik) eenen zeer schoonen brief gehad,[2] met den boek[3] daarbij dien hij over ’t westvlaamsch gemaakt heeft. ’t Ware al redens genoeg zeker, als de wereldlijken, ja de liberale, officieele professors zelve zoo verre vooren zijn, voor de Limburgsche Theologanten, om eens voor goed wakker te komen en den vaak = slaaplust uit hunne oogen te vrijven. Leest bijvoeg Loquela Mei 83[4] of beter nog den moniteur,[5] die daar p2vermeld wordt, en gij zult wel komen te beseffen dat het niet enkel eene zake van tale en is, van liefhebberij, van blauw- of geel- of domvodderij, maar zake van bestaan voor als dat een christen dietsch herte dierbaar is. Al dat nog iets is, moet dat iets in weerde houden, bewaren, verdedigen, immers de parijsche (d. i. wereldsche) zondvloed komt om al! Enz.

Schrijft dan uwe woorden, elk een, afzonderlijk op den onbeschreven kant van 1/4 blad briefpapier; ’t woord in den slinkeren hoek, omhoogewaard, daarbij stemzate, uitsprake geslachte, beteekenisse, tijd, plaatse enz. Hebt gij 10, 20, 30 woorden en wendingen legt ze dan abc wijze, zoo dat gij elk woord terug vinden kunt. Alzoo heb ik mijnen schat, in eenen cigaarbak geloove ik, naar Profr Bormans gezonden alzoo heb ik hem terug ontvangen met ’s Prof’s kostelijke aanteekeningen.

Om angelsassensch te leeren moet gij met het Engelsch beginnen.[6]

Ontleedkundige woordenboeken in ’t vlaamsch zijn nog te maken.[7] t groot p3algemeen neêrlandsch woordenboek, dat uitkomt, is op goeden weg.

Plaatsnamen ontleden en uitleggen is ’t moeielijkste van al; eerst moet gij de oude schrijfwijze, de oudste liefst van al, achterhalen en oefenen, anders geen uitkomen.

Vergelijk pater = vader p = v, t = d, in ’t latijn. v in vol is aan den zelfden gang onder worpen, te weten p = v, vol = pel = ple- dat te vinden is in ple-re, ple-tus, ple-nus dat is een voorbeeld, zoekt er meer, maar op geen anderen weg.

Maas-eyck is waarschijnelijkst van al de eyk (aan de) Maas; Behringhen zal eertijds Behringaheim geweest zijn = le retranchement des enfants de Behr;[8] de plaats waar de familie Behr eerst woonde. enz.

Mr Dejonkheere, mijn medeonderpastor, is naar Ludicke[9] komen beêvaarden, hij heeft achter Arthur gevraagd; ik blijve meest thuis.[10]

Van Walen sprekende[11] dient gij ook de vlaamsch limburgsche woorden aan te teekenen die in hunne oude en zeer merkweerdige tale loopen.p4Mijne Kerkhofblommen en ander zulk werk[12] zal ik u in ’t korte zenden gratis en tot bewijs van dankbaarheid over uwe gedaan en beloofd werkzaam zijn, ter voordeele der zake die mij onder hare dienaars telt.

Ik hebbe al veel limburgsch, kempensch etc. gelezen, bij niemand en vinde ik zulken diepen inkijk in de tale als bij u. Al zoeken zult gij leeren het minste woord of woordendeelken, hoe leelijk ook, eerbiedigen en voor kostelijk achten.

Wat gij eerst ende vooral zoudt moeten doen is zuiver limburgsch schrijven.

ik zende u naastvolgende uwe lijste terug om afzonderlijk, elk woord op een blad te schrijven

Dus gegroet en Arthur Lewyle mijn beste boodschap!
Blijve ulieden toegenegen
GuidoGezelle.

P. S. Zendt mij op een briefkaarte[13] a. u. b. of peddemook oo gelijk in rook is of o gelijk in kool, kolen. Is peddemook[14] puiderek,[15] ova etc. ranarum[16]

Noten

[1] Gepubliceerd in A. Cuppens, Guido Gezelle en de jonge Limburgers. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 1, p. 3-5. Cuppens noteerde als inleiding: ”Maar ik kende ’t einde van mijn blijdschap en fierheid niet meer, toen er eenige dagen nadien een brief uit Kortrijk aankwam van eene nog onbekende hand! ’t Was het antwoord van den goeden, grooten Man. Deze brief, na dat C.L. en ik hem een twintig keren gelezen en herlezen hadden, ging rond onder de vertrouwbare makkers als heiligdom!”

Zie ook: A. Cuppens, Guido Gezelle en de jonge Limburgers. In: Dietsche Warande en Belfort: 1 (1900), p. 144-145.

[2] De brief is niet bewaard gebleven in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge. Aangezien het boek uit 1882 dateert, was de brief vermoedelijk ook uit dat jaar.
[3] Het boek dat Jozef Vercoullie opstuurde is bewaard gebleven in de handbibliotheek van Guido Gezelle in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge (nr. GGB 0971).
[4] In: Bijvoeg op Loquela: 1 (Meimaand 1883) 4, p. 13-14 citeert Guido Gezelle uit het verslag van de gewone zitting van de senaat op 30 mei 1883. Léon van Ockerhout, senator voor Kortrijk, en Jules Lammens, senator voor Brugge, komen op voor de studie van het West-Vlaams, voor een beter begrip van de Middelnederlandse literatuur en het bestaansrecht van het Nederlands in het openbare leven.

Na een maandenlange politieke discussie over de taalkwestie (Frans-Nederlands) stemt de senaat op 31 mei 1883 uiteindelijk de derde taalwet (wet Vigne-Cooremans), waardoor middelbaar rijksonderwijs gedeeltelijk vernederlandst.

[5] Moniteur Belge. Sénat. Session ordinaire de 1882-1883, p. 145-149. In: Bijvoeg: Loquela: 1 (Meimaand 1883) 4, p. 14.
[6] A. Cuppens vroeg in zijn vorige brief van 16/06/1883: ”Welke zijn de beste en bestekoopste boeken om het Angelsaksisch aan te leeren?”
[7] A. Cuppens vroeg in zijn vorige brief van 16/06/1883: ” Welke zijn de beste en bestekoopste boeken om (...) om goede vlaamsche woorden en goeden zuiveren vlaamsche stijl te leeren gebruiken en krijgen, om de afleidkunde te leeren en de woordontleedkunde?”
[8] A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 1, p. 4 noteerde Cuppens in voetnoot: ”In een werk van Prof. Daris zaliger staat eene zeer oude oorkonde aangehaald waar inderdaad Behringaheim geschreven staat.”
[9] ’t Daghet in den Oosten: 1(1885) 1, p. 8: “De oudste naam van Luik is Leodicum oppidum. Leodicum is afgeleid van ‘liut, liud liod’, later liede, lude, luide (= volk) met de adjectiefuitgang: -icus, -ica, -icum. Oppdium betekent ‘versterkt heuvelfort of kleine stad’. Leodicum evolueert tot Ludek. De datief Ludike wordt gebruikt als plaatsbepaling en betekent: van of te Ludek. Door syncope, vaak gebruikt in het Limburgs, wordt het ‘Luuk’ of ‘Luik’.”
[10] Cuppens noteerde in zijn brief van 16/06/1883: ”Mr Lewylle groet u insgelijks. Volgens men hier verteld heeft moet gij met den Grooten Ommegang alhier in 't Seminarie naar hem gevraagd hebben.”
[11] Gezelle schreef ‘Walen‘ en ’sprekende’ aan elkaar en schreef er later een schuine streep (/) tussen om aan te geven dat het om twee afzonderlijke woorden gaat.
[12] G. Gezelle, Volledige dichtwerken. Leuven: K. Fonteyn. Vanaf dl. 2 ook bij J. de Meester te Roeselare. In 1878: Dichtoefeningen (2e ed.); Kerkhofblommen (4e ed.), 1879: Gedichten, gezangen en gebeden (2e ed.), 1880: Liederen, eerdichten et reliqua (1e ed.).
[13] Het is Jacob Lenaerts die een briefkaart op 20/06/1883 met de nodige antwoorden naar G. Gezelle stuurt.
[14] 1ste Woordezange in: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 1, p. 2: “Paddemoek, den. Vorsch, kikker, puid. Te Weert en om. Uitspraak paddemook. Meervoud twee paddemeuk, verkleind paddemeuksken“.
[15] Kikkerdril.
[16] Vertaling (Latijn): vrucht of zaad van kikkers: eieren van kikkers.

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamBormans, Jan Hendrik; Broeder Geraert
Datums° Sint-Truiden, 17/11/1801 - ✝ Luik, 04/06/1878
GeslachtMannelijk
Beroephoogleraar; filoloog
BioJan-Hendrik Bormans studeerde klassieke talen aan de Universiteit van Luik en begon zijn loopbaan als docent poësis en retorica aan het Seminarie van Luik (1818-1820). Daarna was hij studiemeester aan het koninklijk college in Luik (1820-1825), docent en rector in Sint-Truiden (1825-1834) en rector in Hasselt (1834-1835). Van 1835 tot 1837 doceerde hij Nederlandse en Griekse letteren aan de Rijksuniversiteit Gent, waar hij via Jan Frans Willems en andere flaminganten interesse kreeg in de Middelnederlandse literatuur. In 1837 keerde hij terug naar de Universiteit van Luik, waar hij klassieke talen en vanaf 1851 ook Nederlands doceerde. Hij ging in 1865 met emeritaat. Als pionier in de studie van de Middelnederlandse literatuur gaf Bormans werken uit zoals Leven van Sinte Christina, Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant en de Brabantse Yeesten. Hij was lid van de Leidse Maatschappij van Nederlandse Letterkunde en speelde een belangrijke rol als lid en rapporteur van de eerste Spellingscommissie. In 1857 publiceerde hij in "Dietsche Warande" een Middelnederlandse vertaling van het Leven van Sint-Lutgart en stelde voor haar uit te roepen tot patroonheilige van de Nederlandse taal- en letterkunde, een idee dat bij Guido Gezelle bijval vond. Vanaf 1858 correspondeerde Guido Gezelle met Bormans over een handschrift van Jan Praet, dat Gezelle via Kanunnik Van Verdeghem van de Brugse zwartzusters in bruikleen had gekregen. Bormans werkte jarenlang aan de editie van dit handschrift en publiceerde het in 1872. Hij droeg ook bij aan Gezelles taalstudie. Zijn waardering voor het werk van Gezelle was een argument in de polemiek rond het taalparticularisme.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
BronnenHessmann, Pierre. De briefwisseling Bormans-Gezelle. In: Gezelliana: 1 (1970) 1-2, 28-48; https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/bormans-jan-hendrik
NaamDe Jonckheere, Henricus; Hendrik, Henri
Datums° Egem, 18/02/1847 - ✝ Ingelmunster, 27/03/1946
GeslachtMannelijk
Beroeponderpastoor; pastoor, leraar
BioHenri De Jonckheere, zoon van Joannes De Jonckheere, landbouwer, en Amanda Van Walleghem, was oud-leerling van het kleinseminarie (na het vertrek van Gezelle). Hij nam in januari 1862 deel aan een loterij voor de financiering van de kerk te Highgate (Londen) waarvoor Gezelle bemiddelde. Vanaf 1873 was hij onderpastoor te Roeselare, vanaf 1880 onderpastoor te Kortrijk, O.L.Vrouwekerk. In 1895 werd hij pastoor te Vivenkapelle, en later te Beveren en Hulste. Hij nam ontslag op 20/02/1922 en woonde verder in Ingelmunster, waar hij overleed.
Links[odis]
Relatie tot Gezelleadressenlijst Kortrijk
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLammens, Jules
Datums° Gent, 20/03/1822 - ✝ Gent, 04/11/1908
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; notaris; senator; politicus: senator
BioJules lammens studeerde rechten aan de universiteit van Gent en promoveerde er in 1844. In 1846 huwde hij met Marie-Louise Minne. Ze kregen 2 dochters: Marie en Claire. Jules Lammens was aanvankelijk advocaat maar werd op 5 juni 1850 notaris te Gent. Hij was een toonaangevende ultramontaanse katholiek. Hij was o.m. lid van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge en medeoprichter en redacteur van Le Bien Public. Van 1880 tot 1900 was hij senator voor Kortrijk. Op vraag van Jules Lammens vertaalde Gezelle een Latijns kruisgedicht voor een door Lammens opgerichte Calvarieberg te Tielt: Kruisgedicht voor Jules Lammens: Gekruiste God, die voor mij staat
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenP. Couttenier, De correspondentie Gezelle-Lammens, in: Gezelliana: 15 (1986), p. 134-153.
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik (in Verviers, maar ook in Laar in Vlaams-Brabant, Halen in Limburg, onderpastoor in Luik, Sint-Gillis, pastoor (07/1888) en te As in Limburg (08/1897).
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NaamVan Ockerhout, Léon
Datums° Brugge, 11/10/1829 - ✝ Loppem, 11/02/1919
GeslachtMannelijk
Beroeppoliticus; provincieraadslid; gemeenteraadslid; senator
BioLéon Van Ockerhout was een katholiek politicus en een invloedrijk persoon in het Brugse maatschappelijke leven. Na middelbare studies in Doornik en Brussel studeerde hij wijsbegeerte en letteren aan de universiteit van Gent, waar hij in 1850 het getuigschrift voor de kandidaturen behaalde. Hij was lid van de West-Vlaamse provincieraad (1864 tot 1874), lid van de Brugse gemeenteraad (1872-1919) en senator voor het arrondissement Diksmuide (1874-1878) en senator in Brugge ter vervanging van J. Boyaval (1879-1912). Hij was eigenaar van de Gazette van Brugge en medewerker van La Belgique Maritime. Hij was betrokken bij talrijke religieuze en kerkelijke verenigingen (waaronder de Edele confrérie van het Heilig Bloed) en talrijke verenigingen van maatschappelijk nut (waaronder erevoorzitter van het Davidsfonds Brugge). Hij was een mecenas voor verschillende projecten en scholen waaronder het Sint-Leocollege.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamVercoullie, Jozef Frederik
Datums° Oostende, 20/04/1857 - ✝ Gent, 04/02/1937
GeslachtMannelijk
BioJozef Frederik Vercoullie werd geboren te Oostende, 20 april 1857 en groeide op in West-Vlaanderen als zoon van een kleermaker. Hij studeerde Germaanse talen aan de normaalschool in Luik (1874-1878), waarna hij vervolgens leraar werd aan het Luikse Koninklijk Atheneum (1878-1883). In 1883 verhuisde hij naar Gent en werd hij docent aan het atheneum en de normaalschool. In 1892 werd hij hoogleraar aan de Gentse universiteit, waar hij 35 jaar lang neerlandistiek en vergelijkende grammatica doceerde. Met zijn Etymologisch woordenboek van de Nederlandsche taal (1890) en zijn Nederlandsche spraakkunst (1894) vestigde Vercoullie zijn naam als vooraanstaand taalkundige, ook in het buitenland. Vercoullie zette zich gedurende zijn loopbaan steeds in voor de verspreiding van het Algemeen Beschaafd Nederlands, hij was immers - ondanks het feit dat hij Westvlaming was en tijdgenoot van velen die een algemene variant van het Westvlaams propageerden - nooit een voorstander van het taalparticularisme. Vercoullie was als Vlaamsgezinde liberaal een medestander van Paul Fredericq. Hij zetelde in de Gentse gemeenteraad van 1911 tot 1921, en in de Oost-Vlaamse provincieraad van 1902 tot 1912. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij in 1919 nationaal voorzitter van het Willemsfonds, en bleef dit tot zijn overlijden 1937..

Naam - plaats

NaamLuik

Naam - instituut/vereniging

NaamKoninklijk Atheneum Luik
BeschrijvingHet Athénée royal Charles Rogier in Luik (ook bekend als Athénée royal de Liège 1) werd in 1851 opgericht als onderdeel van het netwerk van athénées royaux, de door de Belgische staat georganiseerde middelbare scholen. Het atheneum werd gebouwd op de plaats van het voormalige Clarissenklooster in de Rue des Clarisses, dat in de eerste helft van de 19de eeuw werd afgebroken. De oprichting kaderde in de bredere onderwijsorganisatie die vanaf 1850 de humaniora onder staatsgezag structureerde. De school werd genoemd naar de liberaal en vrijmetselaar Charles Rogier, een vooraanstaand politicus en Luikse medestichter van België. Vandaag blijft het instituut een belangrijk onderdeel van het Franstalige, officieel gesubsidieerd onderwijsnet (Wallonië-Brussel Enseignement).
Datering1851-heden
Links[wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelKerkhofblommen (Kerkhofbloemen)
Links[gezelle.be]
TitelLiederen, eerdichten et reliqua
Links[gezelle.be]
TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelSpraakleer van het Westvlaamsch dialect
AuteurVercouillie, Joseph
Datum[1882]
Plaats[Luik]
Uitgever[s.n.]
TitelNieuw woordenboek der Nederlandsche Taal
AuteurVan Dale, Hendrik Johan; Manhave, Johannes
Datum1884
Plaats's-Gravenhage; Leiden
UitgeverM. Nijhoff ; A.W. Sijthoff
TitelBelgisch staatsblad (Moniteur Belge)
Datum1831-
PlaatsBrussel
UitgeverPierre-Philippe Bourson ; Belgisch Staatsblad

TitelKortrijk, Guido Gezelle aan [August Cuppens en Leonard Willem Jakob Lenaerts]
EditeurMiet Hubrechts
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts, Gezelle Guido aan Cuppens August en Lenaerts Leonard Willem Jakob, Kortrijk (Kortrijk), . In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Cuppens, August]
Ontvanger[Lenaerts, Leonard Willem Jakob]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieT.p.q. en t.a.q. gereconstrueerd op basis van de publicatie in 't Daghet in den Oosten (1910) en andere correspondentie: brief is antwoord op brief van A. Cuppens aan G. Gezelle van 16/06/1883 (nr. 5340) en is geschreven voor de volgende brief van A. Cuppens aan G. Gezelle van 22/06/1883 (nr. 5342); tweede adressant gereconstrueerd op basis van de publicatie: volgens publicatie schreef Cuppens zijn eerste brief aan Guido Gezelle samen met Leonard Willem Jakob Lenaerts en is de brief ook aan hem en andere studenten gericht.
Gepubliceerd inBrieven van, aan en over Gezelle II, 177-179 (147b); Guido Gezelle en de jonge Limburgers / door August Cuppens. - In: Dietsche warande en Belfort. - Jrg.1 (1900), p.144; De eerste “’t Daghetjongens“ en Guido Gezelle. / door August Cuppens. - In: ‘t Daghet in den Oosten. - Jrg. 26 (1910) nr.1, p.3-5
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 208 mm x 134 mm
papier, wit, rechthoekig geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden eerste helft tekst op zijde 1 in marge aangestreept
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan de Limburgsche Gilde ; idem rechts: [Juni 1883 ?] (inkt, beide hand P.A.) ; op zijde 1 linksboven: (1) (potlood, onbekende hand)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8593
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.17001
Inhoud
IncipitOver 25 jaar heb ik gedaan wat gy komt
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.