Uw laatst ontvangen brief[1] verblijdt mij grootelijks, en ik verwachte het nieuw Handschrift[2] zelve bij mij terug, om er met den fijnen kam,[3] ja met den das[4] over te gaan en alzoo, zooveel mogelijk, het stuk drukveerdig en drukweerdig te maken.[5]
De voorrede heb ik gereed maar zij is nog ongeschreven.[6]
Ik en duchte geen ongemak van onze wilde Indianen.
Ik ben tegenwoordig bezig met de vlucht van Pauwke,[7] als hij bij de “brant”[8]vloog, welke vogels ik ooranden[9] geheeten hebbe, eenen name die ik gesmeed hebbe op oorbeeld, ooros, etc.
Ik en heb Karel den Goeden noch gehoord noch gezien.
Dat van Cassius[10] in R.d.H is heel flink aaneengedaan, maar ’k en las de oorlaze[11] niet van Shakespeare.
Ware ik als gij, ik zou willen slag om slinger dichten tegen Calderon, reke voor reke, rijm voor rijm, klank voor klank; dat kan het vlaamsch wel, kunt ge ’t gij? ’t Is ’t proeven weerd en
fabricando fabri fimus
Flandri----- Flandri------[12]







