<Resultaat 981 van 2965

>

p1
Myn eerweerden Heer Cuppens Theologant
in t gr. Seminarie
te
Luyk
 
p1
Achtbare&eerweerde Heer en Heeren,[1]

Ik late de meest gebruikte woorden meest gebruikt zijn, ’t zij wel ’t zij kwalijk, eerst ende liefst: om ’t begrepen en verstaan te maken dat wij, voor een fransch woord (diks van 25 beteekenissen) er soms wel 25 vlaamsche hebben, en van de beste, en dat wij niet, gelijk de franschen, aan een en ‘t zelfste, eeuwig en ervig verbonden en zijn. Den fransch is zijne tale (of zijne parijsche taalkamer) Meester; de Vlaming, in tegendeel, is (liever ’t zou alzoo moeten zijn) is zijne tale Meester. De fransche tale is gevast- of gelijfdrukt, onze tale is onvast, vrij en vreugdig, uit het herte en over de tonge vloeiende en uit eenen altijd levenden bronader geboren.

Mijteren[2] dat is minuere, minutim confringere aliquem = (exaggerando ut solemus) verberare.[3] vergelijk loq. in verbo blamuis.[4] soppieten, soppieren etc. is mij bekend; zuipen, zoop, gezopen is daar de oorsprong van. Men dacht immers eertijds dat dit lichaamsdeel het organum succionis[5] was. In ’t fransch rides[6] (nu ris[7]) de veau (kalverrimpels ware ‘t in t vlaamsch) om het gerimpeld, ingekorven uitzien. Bij ons soezen, zwezerikken, beide woorden uit zuigen, zuigsen, zuizen voortkomende. In ’t korte meer hope ik, met allen dank van Loquela.

’t En zou mij niet verwonderen vond gij ievers in een flaminganten menu ris de veau vervlaamsch (?) kalverlachjes of kalverrijst!

Noten

[1] Guido Gezelle richt zijn brief niet alleen tot August Cuppens maar ook aan de andere Limburgse studenten waaronder Leonard Willem Jakob Lenaerts, Arthur Lewylle.
[2] In: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 1, p. 2 noteerde de redactie in de 1ste Woordezange: ”Mijteren, mijterde, gemijterd. Priegelen, afslaan, afrossen, afranselen. Is eigentlik (iemand) in mijten, dat is in kleine stukskens slaan”.
[3] Vertaling (Latijn): verminderen, iemand in kleine stukjes afbreken = (om het met overdrijving te zeggen zoals wij gewoon zijn) afslaan, afranselen.
[4] G. Gezelle, Blamuis, Blamuize. In: Loquela 10 (Sporkle 1882) 1, p. 79: ”(...) Muize = mond, kake, en blamuize, plamuize, dietsch fr. blamuse, plamuse, flimouse, talmouse = kaakslag”.
[5] Vertaling (Latijn): zuigorgaan.
[6] Vertaling (Frans): rimpels.
[7] Vertaling (Frans): 1. zwezerik 2. rimpeling (van water).

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik (in Verviers, maar ook in Laar in Vlaams-Brabant, Halen in Limburg, onderpastoor in Luik, Sint-Gillis, pastoor (07/1888) en te As in Limburg (08/1897).
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten

Naam - plaats

NaamLuik

Naam - instituut/vereniging

NaamGrootseminarie Luik
BeschrijvingHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Datering1592-heden

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Indextermen

Briefontvanger

Cuppens, August

Briefschrijver

Gezelle, Guido

Correspondenten - personen

Cuppens, August
Gezelle, Guido

Naam - instituut/vereniging

Grootseminarie Luik

Naam - persoon

Cuppens, August
Lenaerts, Leonard Willem Jakob
Lewylle, Arthur

Naam - plaats

Luik

Plaats van verzending

Kortrijk

Titel - werk van Guido Gezelle

Loquela

Titel[11/12/1883], Kortrijk, [Guido Gezelle] aan August Cuppens, [Leonard Willem Jakob Lenaerts, Arthur Lewylle, Arthur, e.a.]
EditeurMiet Hubrechts
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts, Gezelle Guido aan Cuppens August, Kortrijk (Kortrijk), [11/12/1883]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
Verzender[Gezelle, Guido]
OntvangerCuppens, August
Verzendingsdatum[11/12/1883]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieDatum en plaats gereconstrueerd op basis van de poststempel ; adressant gereconstrueerd op basis van het handschrift; de brief van Gezelle is opgenomen in voorbereidend artikel van Leonard Willem Jakob Lenaerts voor 't Daghet in den oosten (nr. Aanw. 533, map 14, 21)
Gepubliceerd inBrieven van, aan en over Gezelle II, p.182-183 (150b)
Fysieke bijzonderheden
Drager 87 mm x 122 mm
papier, geel
papiersoort: recto met adres; verso horizontaal en verticaal beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden op adreszijde: gedrukte postzegel, afgestempeld
Toevoegingen op recto linksboven: (4) (potlood, onbekende hand)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8582
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.16876
Inhoud
IncipitIk late de meest gebruikte woorden
Tekstsoortbriefkaart
TalenNederlands; Latijn; Frans
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.