Ik late de meest gebruikte woorden meest gebruikt zijn, ’t zij wel ’t zij kwalijk, eerst ende liefst: om ’t begrepen en verstaan te maken dat wij, voor een fransch woord (diks van 25 beteekenissen) er soms wel 25 vlaamsche hebben, en van de beste, en dat wij niet, gelijk de franschen, aan een en ‘t zelfste, eeuwig en ervig verbonden en zijn. Den fransch is zijne tale (of zijne parijsche taalkamer) Meester; de Vlaming, in tegendeel, is (liever ’t zou alzoo moeten zijn) is zijne tale Meester. De fransche tale is gevast- of gelijfdrukt, onze tale is onvast, vrij en vreugdig, uit het herte en over de tonge vloeiende en uit eenen altijd levenden bronader geboren.
Mijteren[2] dat is minuere, minutim confringere aliquem = (exaggerando ut solemus) verberare.[3] vergelijk loq. in verbo blamuis.[4] soppieten, soppieren etc. is mij bekend; zuipen, zoop, gezopen is daar de oorsprong van. Men dacht immers eertijds dat dit lichaamsdeel het organum succionis[5] was. In ’t fransch rides[6] (nu ris[7]) de veau (kalverrimpels ware ‘t in t vlaamsch) om het gerimpeld, ingekorven uitzien. Bij ons soezen, zwezerikken, beide woorden uit zuigen, zuigsen, zuizen voortkomende. In ’t korte meer hope ik, met allen dank van Loquela.
’t En zou mij niet verwonderen vond gij ievers in een flaminganten menu ris de veau vervlaamsch (?) kalverlachjes of kalverrijst!







