…
Wat denkt gij, Mijnheer, van de verzekestukjes[1] die gij gebeeterd hebt? 't en is niet veel niet waar? Maar met wat oefeningen, 'k en ben immers nog in de dichterklasse niet, zal ik misschien bij tijd van jaren eenige goede verzen kunnen maken.
Nu, Mijnheer, aanveerd nogmaals de uitdrukking mijner diepe erkentenisse.
Uw steeds bereide dienaar
Hieron. Noterdaeme
Deo Gratias







