p1+
Heer ende Vriend,
ik verwacht u tegen Maandag noene.
Groete genegen
K Blancke
Ruddervoorde, 14 Januari 1888
| < | Resultaat 1602 van 2965 | > |
|---|
ik verwacht u tegen Maandag noene.
| Naam | Blancke, Karel; leukos |
|---|---|
| Datums | ° Wingene, 30/06/1849 - ✝ Handzame, 18/01/1934 |
| Geslacht | Mannelijk |
| Beroep | priester; dichter; onderpastoor; pastoor |
| Bio | Karel Blancke werd geboren te Wingene op 30 juni 1849 als zoon van Louis, bakker, en Seraphina Vanderschaeghe. Zijn humaniorastudies volgde hij aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij Hugo Verriest als poësisleraar had en in de retoricaklas een tijdgenoot was van Zeger Maelfait. Als leerling engageerde hij zich in de lettergilde en trad er op als voorzitter, waarbij hij opriep tot deelname aan de Vlaamse strijd. Samen met Maelfait vervolgde hij zijn opleiding aan het grootseminarie in Brugge, waar hij Amaat Vyncke leerde kennen. Reeds als kapelaan verleende hij zijn medewerking aan de “Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen” en aan “De Vlaamsche Vlagge”. In “De Vlaamsche Vlagge” publiceerde Blancke vooral religieus en moraliserend werk, maar ook stukken waarin hij de Vlaamse taal en cultuur verdedigde. Hij spoorde jongeren aan het vreemde juk af te werpen en mee te bouwen aan een sterk katholiek Vlaanderen, vaak onder het pseudoniem Legio. Daarnaast leverde hij bijdragen aan “Rond den Heerd” en aan het Leuvense studentenblad “De Tassche”. Samen met zijn broer August was hij in 1880 betrokken bij de oprichting van de volksalmanak “’t Manneke uit de Mane”. Hij was ook lid van ‘De Swighenden Eede’, een geheim eedverbond van priesters en leken dat aan de basis lag van het studententijdschrift “De Vlaamsche Vlagge”, en correspondeerde hierover onder meer met Guido Gezelle. Tot 1925 bleef hij meewerken aan “De Vlaamsche Vlagge”, maar na de bisschoppelijke veroordeling van het Vlaams-nationalisme legde hij zijn functie in de redactie neer. Blancke werd op 30 mei 1874 in Brugge priester gewijd en op 10 juli van datzelfde jaar benoemd tot onderpastoor in Ruddervoorde. Op 26 maart 1897 volgde zijn aanstelling als pastoor in Zuidschote, op 22 februari 1901 werd hij pastoor in Wijtschate en vanaf 25 mei 1908 vervulde hij die functie in Kortemark. In Kortemark werd hij bovendien een van de steunpilaren van de katholieke partij. Na zijn ontslag op 20 november 1933 vestigde hij zich in het rustoord van Handzame, waar hij op 18 januari 1934 onverwacht overleed. Voor zijn verdiensten werd Blancke benoemd tot Ridder in de Orde van Leopold II. |
| Links | [odis] |
| Relatie tot Gezelle | correspondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; studentenbeweging |
| Bronnen | https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/blancke-karel |
| Naam | Gezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori |
|---|---|
| Datums | ° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899 |
| Geslacht | Mannelijk |
| Beroep | priester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist |
| Bio | Guido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd. |
| Links | [odis], [wikipedia], [dbnl] |
| Naam | Blancke, Karel; leukos |
|---|---|
| Datums | ° Wingene, 30/06/1849 - ✝ Handzame, 18/01/1934 |
| Geslacht | Mannelijk |
| Beroep | priester; dichter; onderpastoor; pastoor |
| Bio | Karel Blancke werd geboren te Wingene op 30 juni 1849 als zoon van Louis, bakker, en Seraphina Vanderschaeghe. Zijn humaniorastudies volgde hij aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij Hugo Verriest als poësisleraar had en in de retoricaklas een tijdgenoot was van Zeger Maelfait. Als leerling engageerde hij zich in de lettergilde en trad er op als voorzitter, waarbij hij opriep tot deelname aan de Vlaamse strijd. Samen met Maelfait vervolgde hij zijn opleiding aan het grootseminarie in Brugge, waar hij Amaat Vyncke leerde kennen. Reeds als kapelaan verleende hij zijn medewerking aan de “Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen” en aan “De Vlaamsche Vlagge”. In “De Vlaamsche Vlagge” publiceerde Blancke vooral religieus en moraliserend werk, maar ook stukken waarin hij de Vlaamse taal en cultuur verdedigde. Hij spoorde jongeren aan het vreemde juk af te werpen en mee te bouwen aan een sterk katholiek Vlaanderen, vaak onder het pseudoniem Legio. Daarnaast leverde hij bijdragen aan “Rond den Heerd” en aan het Leuvense studentenblad “De Tassche”. Samen met zijn broer August was hij in 1880 betrokken bij de oprichting van de volksalmanak “’t Manneke uit de Mane”. Hij was ook lid van ‘De Swighenden Eede’, een geheim eedverbond van priesters en leken dat aan de basis lag van het studententijdschrift “De Vlaamsche Vlagge”, en correspondeerde hierover onder meer met Guido Gezelle. Tot 1925 bleef hij meewerken aan “De Vlaamsche Vlagge”, maar na de bisschoppelijke veroordeling van het Vlaams-nationalisme legde hij zijn functie in de redactie neer. Blancke werd op 30 mei 1874 in Brugge priester gewijd en op 10 juli van datzelfde jaar benoemd tot onderpastoor in Ruddervoorde. Op 26 maart 1897 volgde zijn aanstelling als pastoor in Zuidschote, op 22 februari 1901 werd hij pastoor in Wijtschate en vanaf 25 mei 1908 vervulde hij die functie in Kortemark. In Kortemark werd hij bovendien een van de steunpilaren van de katholieke partij. Na zijn ontslag op 20 november 1933 vestigde hij zich in het rustoord van Handzame, waar hij op 18 januari 1934 onverwacht overleed. Voor zijn verdiensten werd Blancke benoemd tot Ridder in de Orde van Leopold II. |
| Links | [odis] |
| Relatie tot Gezelle | correspondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; studentenbeweging |
| Bronnen | https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/blancke-karel |
| Naam | Gezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori |
|---|---|
| Datums | ° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899 |
| Geslacht | Mannelijk |
| Beroep | priester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist |
| Bio | Guido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd. |
| Links | [odis], [wikipedia], [dbnl] |
| Naam | Blancke, Karel; leukos |
|---|---|
| Datums | ° Wingene, 30/06/1849 - ✝ Handzame, 18/01/1934 |
| Geslacht | Mannelijk |
| Beroep | priester; dichter; onderpastoor; pastoor |
| Bio | Karel Blancke werd geboren te Wingene op 30 juni 1849 als zoon van Louis, bakker, en Seraphina Vanderschaeghe. Zijn humaniorastudies volgde hij aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij Hugo Verriest als poësisleraar had en in de retoricaklas een tijdgenoot was van Zeger Maelfait. Als leerling engageerde hij zich in de lettergilde en trad er op als voorzitter, waarbij hij opriep tot deelname aan de Vlaamse strijd. Samen met Maelfait vervolgde hij zijn opleiding aan het grootseminarie in Brugge, waar hij Amaat Vyncke leerde kennen. Reeds als kapelaan verleende hij zijn medewerking aan de “Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen” en aan “De Vlaamsche Vlagge”. In “De Vlaamsche Vlagge” publiceerde Blancke vooral religieus en moraliserend werk, maar ook stukken waarin hij de Vlaamse taal en cultuur verdedigde. Hij spoorde jongeren aan het vreemde juk af te werpen en mee te bouwen aan een sterk katholiek Vlaanderen, vaak onder het pseudoniem Legio. Daarnaast leverde hij bijdragen aan “Rond den Heerd” en aan het Leuvense studentenblad “De Tassche”. Samen met zijn broer August was hij in 1880 betrokken bij de oprichting van de volksalmanak “’t Manneke uit de Mane”. Hij was ook lid van ‘De Swighenden Eede’, een geheim eedverbond van priesters en leken dat aan de basis lag van het studententijdschrift “De Vlaamsche Vlagge”, en correspondeerde hierover onder meer met Guido Gezelle. Tot 1925 bleef hij meewerken aan “De Vlaamsche Vlagge”, maar na de bisschoppelijke veroordeling van het Vlaams-nationalisme legde hij zijn functie in de redactie neer. Blancke werd op 30 mei 1874 in Brugge priester gewijd en op 10 juli van datzelfde jaar benoemd tot onderpastoor in Ruddervoorde. Op 26 maart 1897 volgde zijn aanstelling als pastoor in Zuidschote, op 22 februari 1901 werd hij pastoor in Wijtschate en vanaf 25 mei 1908 vervulde hij die functie in Kortemark. In Kortemark werd hij bovendien een van de steunpilaren van de katholieke partij. Na zijn ontslag op 20 november 1933 vestigde hij zich in het rustoord van Handzame, waar hij op 18 januari 1934 onverwacht overleed. Voor zijn verdiensten werd Blancke benoemd tot Ridder in de Orde van Leopold II. |
| Links | [odis] |
| Relatie tot Gezelle | correspondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; studentenbeweging |
| Bronnen | https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/blancke-karel |
| Titel | Loquela |
|---|---|
| Links | [gezelle.be] |