'k Schrijf u in mijnen brief dat de tijd mij ontbreekt ..........
Ja, aan U mag ik zeggen waar ik ‘t meest van mijnen tijd (dus den studietijd niet) aan bestéé?[1] Ik ben van den opstellersraad van “de Student”[2] zelf schrijf ik weinig artikels, maar ik heb het stoffelijk (?) bestuur van dit tijdschrift in handen: onderhandelingen met den drukker, met de inschrijvers rekeningen enz in een woord al de bureelzaken gaan op mij af.
Ik neem deze gelegenheid waar om u dit tijdschrift dat ge regelmatig ontvangt,[3] eens indachtig te maken.
Ik weet het goed genoeg: ge hebt op zooveel te peizen, maar wij en vragen niet veel en daarbij onze “Student” heeft 1130 inschrijvers ‘t zal dan toch niet verloren zijnp2Als ge sondtijds[4] een uwer stukskens kost opzenden, dat wij met uwen naam mogen teekenen, dat zou ons heel aangenaam zijn en ons tijdschrift zou er meêpronken.[5] Dus, als ge kunt, peist daar eens op.
Buiten den opstellersraad en twee of drie vrienden, lijk Cuppens, en weet er niemand dat ik van den “Student” ben en wij allen houden er heel straf aan ongekend te blijven, ‘t is daarom dat ik u dus op een los papierken schrijf omdat ge het seffens zoudt verbranden.
Onnoodig U te verzoeken nooit aan iemand hier iets te laten over blijken opdat wij vrijer zouden kunnen werken voor onze leus:
Alles voor Vlaanderen!
Vlaanderen voor Christus![6]
Met haast!







