Ik mocht nooit het geluk genieten u van nabij te leeren kennen, doch sinds lang, sinds 1883 toen ik met den Westvlaamschen student-dichter Julius Delbeke, - die nu ergens in West-Vlaanderen geneesheer is, - te Leuven studeerde had ik u lief om uw Vlaamsch hart, om uw rijke taal en om uw zangerig lied. Sinds heeft die warme genegenheid nog toegenomen, gelijken tred houdend met de klimmende bewondering die ik voor uw gedichten gevoel. - die nu ergens in West-Vlaanderen geneesheer is, - te Leuven studeerde had ik u lief om uw Vlaamsch hart, om uw rijke taal en om uw zangerig lied. Sinds heeft die warme genegenheid nog toegenomen, gelijken tred houdend met de klimmende bewondering die ik voor uw gedichten gevoel.
Ik weet, en ik moet het u hier wel verklappen, dat de Vlamingen van Antwerpen, van 't gansche land, zinnens zijn u toekomend jaar te laten weten, hoeveel zij van den West-Vlaamschen dichter houden.[1]p2Nu ben ik op de gedachte gekomen een studie,[2] als ik het zoo heeten mag - over uwe werken te schrijven. Natuurlijk moeten er aanhalingen gebeuren. Zoo ik het goed voor heb, mogen geen volledige stukken opgenomen worden; 't schijnt, als er één regel ontbreekt dat dan de uitgever geen verhaal op den aanhaler heeft.[3]
Ik zou het al te zonde vinden stukken te moeten verminken als die ik zou willen overnemen n.m.: De Mandelbeke, Het Schrijverke, o 't Ruischen van het ranke riet, Excelsior, Pachthofschilderinge, Regina Coeli, Zoo menig blomme, Pro Christo Legatione fungimur, Dien avond en die Rooze, Die Slekke 't Kindeken v. de dood, + een viertal uit Tijdkrans en Rijmsnoer alsook een gedeelte van Song of Hiawatha's vertaling.
En deze brief heeft voor doel, Geliefde Dichter, uwe toestemming te vragen.p3Hierbij voeg ik het gedicht, dat ik aan u maakte en dat gij niet strengelijk zult beoordeelen om der wille van het warme gevoel, van het oprecht Vlaamsche hart, waaruit het vloeide.
Die een tale zingt als gij,
En ik vind dat alles kleen is,
Nietig, valsch en wanklank bij
't Zilverzuivre klingeklangen,
't Zalvendzoete zingezangen,
Van uw rijmval, van uw lied:
Neen, zoo'n tweede'n is er niet.
p5p2.Laat gij 't ranke riet zacht ruischen,
Zingt gij van den wilgeboom,
Van het wilde windenbuischen,
Van den landschen morgendoom;
Is 't aan Leie of is 't aan Mandel,
Dat ik in uw zangen wandel,
In welk jaartij, in welk oord:
Toovren kan uw dichterwoord.
Uw Gebeden, uw Gezangen,
En uw Rijmsnoer om en om
Jaargetijdenkrans gehangen,
En zoo menig Kerkhofblom:
't Is al geurig als de rozen,
't Is één streelen en één koozen,
Gij spruit helder, gij zijt bron!
Stralen doet gij, Vlaamsche zon!
p6p3.Maerlant's tale ligt bestorven
Op uw zangerigen mond,
't Zuiver Dietsch, het onbedorven,
Als het Maerlant zelve vond.
't Fransch moog' Vlaanderland omrasteren,
Vlaandrenland zal niet verbasteren,
Als úw ziel in Vlaandren leeft,
Uwe taal op d'adem zweeft.
'k Hoor ze klinken hoog en hel;
'k Hoor uw boute woorden klingelen,
Als een spranklend beiaardspel!
Nachtegaal der Vlaamsche streke,
Nachtegaal der Mandelbeke,
Vlaandrens duurbre,[5] reine zoon,
Vlaandrens roem en Vlaandrens Kroon!







