Brugge, den 7 Juli 1898.
Eerweerde Heer,
Ik heb eene aanvrage gedaan bij den Heer Minister van Binnenlandsche Zaken, om eenige inschrijvingen te vragen, ten koste van den staat, op "Godevaert en Godelieve".
Zoudt gij de groote goedheid niet willen hebben, deze aanvrage bij den Heer Van Droogenbroeck met een woord, te willen ondersteunen? Ik zou er u hertelijk dankbaar voor zijn. Ik herinner mij nog, dat het ook door uwe tusschenkomst was, dat de staat, in 1891, eenige afdruksels kocht van mijne eerste gedichten.
Ik bid u, op voorhand, Eerweerde Heer, de uitdrukking te willen aanveerden mijner gevoelens van oprechten dank.
Jer. Noterdaeme







