<Resultaat 2375 van 2965

>

p1+
Ami,

J’ai bien reçu votre bonne lettre et le magnifique volume, dont elle m’annonçait l’envoi.

C’est un grand encouragement pour moi d’apprendre que vous lirez mon livre, qui est le fruit de trente années de recherches, continuées en dépit de tous les obstacles et malgré le temps si restreint dont je dispose. C’est grâce à l’économie des minutes, en me sévrant de toute autre distraction, en renonçant à tout ce qui s’appelle amusement, que j’ai pu recueillir les notes, dont ce volume est composé.

J’ai travaillé avec un soin spécial la période de la Révolution française (voir la biographie du Curé Gailliard) et je crois ne pas avoirp2omis grand’ chose sous ce rapport; cela m’a coûté des peines inouïes!

Inutile de vous dire que j’ai écrit con amore la biographie de M. Van Coillie.[1]

La biographie du curé Jennyn, – un écrivain, – vous plaira, j’espère. Vous lirez sans doute aussi avec plaisir ce qui concerne le Séminaire Anglais, M. le baron Sutton, etc.[2]

J’attache grand prix à votre appréciation, et je vous remercie d’avance des lignes que vous consacrerez à mon travail dans Biekorf.[3] Vous entrerez, j’espère, dans quelques particularités, pour faire connaître un peu mon livre. Mille fois merci, d’avance.

Je regrette de ne pouvoir offrir un exemplaire à M. Van Costenoble,[4] n’ayant fait tirer qu’un nombre fort restreint d’exemplaires, dont quelques-uns ont été mis en vente et les autres distribués à ceux envers qui j’avais des obligations.p3Je perdrai une grosse somme à cette publication, mais je m’en console en songeant que j’ai sauvé de l’oubli bien des choses intéressantes.

C’est un bien beau volume que la traduction de la vie de Ste Elisabeth de Montalembert, et je vous suis bien reconnaissant de la bonté, que vous avez eue de m’en réserver un exemplaire.

Si je ne me trompe, Mr Cuppens a essayé de traduire ce livre, si français, et c’est vous qui avez fait la grosse besogne, en révisant sa traduction, en faisant sa toilette, pour la présenter au public; chose plus difficile que d’écrire un livre du premier jet. Vous avez fait œuvre bien méritoire.

Merci de toutes les petites curiosités, qui accompagnaientp4votre beau cadeau, surtout de la gracieuse plaquette dédiée à Mgr Mangeruva.[5] J’examinerai, à mon premier loisir, si j’ai des drapelets en double.[6]

Encore une fois merci et bien à vous
Ernest Rembry

Noten

[1] In zijn De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge 1311-1896 p.422-605 wijdt Rembry 183 bladzijden aan het leven van Van Coillie.
[2] Gezelle was van 1860 tot 1865 betrokken bij het Engels Seminarie gefinancierd door baron Sutton, eerst als professor, vanaf 1861 ook als vice-rector. In zijn brief van 28/12/1892 bezorgde hij Ernest Rembry gegevens over deze instelling.
[3] In de loop van april-mei besprak Gezelle Rembry’s werk in drie artikels voor Biekorf: 8: (1897) 7, p.108-111; 8, p.118-122 en 10, p.150-155.
[4] Uit de brief maken we op dat Costenoble om een presentexemplaar gevraagd via Gezelle.
[5] Op vraag van zijn Italiaanse correspondent Domenico Macry Correale schreef Gezelles het gedicht Een groet uit België ter ere van het gouden priesterjubileum van Mgr. Mangureva, bisschop van Gerace. Het werd samen met de vertaling Correale opgenomen in de gelegenheidsbundel.
[6] Mogelijk bedoelt hij dubbele bedevaartsvaantjes om aan Gezelle te schenken.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamRembry, Ernest
Datums° Moorsele, 22/01/1835 - ✝ Brugge, 14/05/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; ondersecretaris; secretaris; vicaris-generaal; historicus
BioErnest Rembry, zoon van Jean-Aimé Rembry, geneesheer, en Clementine-Amande Delva, studeerde aan het college te Menen en kerkelijk recht te Leuven waar hij op 11/07/1859 zijn baccalaureaat behaalde. Hij werd op 29/05/1858 tot priester gewijd. Op 09/07/1859 werd hij onderpastoor van Sint-Gillis te Brugge. Hij schreef een geschiedenis van de Sint-Gilliskerk, van haar pastoors en van alle gebeurtenissen en belangrijke personen op deze parochie, door de eeuwen heen. Hij werd op 02/01/1862 ondersecretaris van het bisdom Brugge, op 24/11/1873 erekanunnik en op 29/08/1884 secretaris en officiaal. Op 20/04/1885 werd hij titulair kanunnik en op 31/05/1894 vicaris-generaal. Hoe hoger hij steeg in aanzien en vertrouwen bij de kerkelijke overheid, hoe meer hij ook Gezelle kon helpen. Hij was betrokken bij de stichting van het tijdschrift 'Rond den Heerd' en hij publiceerde ook in het tijdschrift 'Biekorf'. Hij las zijn laatste mis in de Sint-Jacobskerk op 9 mei 1904 om enkele dagen later te sterven.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Caroline Verstraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899, Gent, 1987 (Gentse bijdragen tot de literatuurstudie, nr. 10).

Briefschrijver

NaamRembry, Ernest
Datums° Moorsele, 22/01/1835 - ✝ Brugge, 14/05/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; ondersecretaris; secretaris; vicaris-generaal; historicus
BioErnest Rembry, zoon van Jean-Aimé Rembry, geneesheer, en Clementine-Amande Delva, studeerde aan het college te Menen en kerkelijk recht te Leuven waar hij op 11/07/1859 zijn baccalaureaat behaalde. Hij werd op 29/05/1858 tot priester gewijd. Op 09/07/1859 werd hij onderpastoor van Sint-Gillis te Brugge. Hij schreef een geschiedenis van de Sint-Gilliskerk, van haar pastoors en van alle gebeurtenissen en belangrijke personen op deze parochie, door de eeuwen heen. Hij werd op 02/01/1862 ondersecretaris van het bisdom Brugge, op 24/11/1873 erekanunnik en op 29/08/1884 secretaris en officiaal. Op 20/04/1885 werd hij titulair kanunnik en op 31/05/1894 vicaris-generaal. Hoe hoger hij steeg in aanzien en vertrouwen bij de kerkelijke overheid, hoe meer hij ook Gezelle kon helpen. Hij was betrokken bij de stichting van het tijdschrift 'Rond den Heerd' en hij publiceerde ook in het tijdschrift 'Biekorf'. Hij las zijn laatste mis in de Sint-Jacobskerk op 9 mei 1904 om enkele dagen later te sterven.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Caroline Verstraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899, Gent, 1987 (Gentse bijdragen tot de literatuurstudie, nr. 10).

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamBrugge
GemeenteBrugge

Naam - persoon

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamRembry, Ernest
Datums° Moorsele, 22/01/1835 - ✝ Brugge, 14/05/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; ondersecretaris; secretaris; vicaris-generaal; historicus
BioErnest Rembry, zoon van Jean-Aimé Rembry, geneesheer, en Clementine-Amande Delva, studeerde aan het college te Menen en kerkelijk recht te Leuven waar hij op 11/07/1859 zijn baccalaureaat behaalde. Hij werd op 29/05/1858 tot priester gewijd. Op 09/07/1859 werd hij onderpastoor van Sint-Gillis te Brugge. Hij schreef een geschiedenis van de Sint-Gilliskerk, van haar pastoors en van alle gebeurtenissen en belangrijke personen op deze parochie, door de eeuwen heen. Hij werd op 02/01/1862 ondersecretaris van het bisdom Brugge, op 24/11/1873 erekanunnik en op 29/08/1884 secretaris en officiaal. Op 20/04/1885 werd hij titulair kanunnik en op 31/05/1894 vicaris-generaal. Hoe hoger hij steeg in aanzien en vertrouwen bij de kerkelijke overheid, hoe meer hij ook Gezelle kon helpen. Hij was betrokken bij de stichting van het tijdschrift 'Rond den Heerd' en hij publiceerde ook in het tijdschrift 'Biekorf'. Hij las zijn laatste mis in de Sint-Jacobskerk op 9 mei 1904 om enkele dagen later te sterven.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Caroline Verstraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899, Gent, 1987 (Gentse bijdragen tot de literatuurstudie, nr. 10).
NaamSutton, John
Datums° Sudbrooke Holme, Lincolnshire, 18/10/1820 - ✝ Brugge, 05/06/1873
GeslachtMannelijk
Beroepmecenas
VerblijfplaatsEngeland
BioSir John Sutton was een vermogend Engelsman die bekend is omwille van zijn mecenaat van o.a. het Engels Seminarie in Brugge. Hij werd op 18 oktober 1820 geboren als zoon van Sir Richard Sutton, 2nd baronet (1798-1855) en Lady Mary Elizabeth Burton. Hij studeerde onder meer in Eton College en aan het Jesus College van Cambridge. In Cambridge werd hij lid van de Cambridge Camden Society, die zich bezighield met architectuur, muziek en liturgie. Dit paste bij zijn algemene interesse voor de beeldende kunsten en (orgel)muziek. Op 23 december 1844 trouwde John met Emma Helena Sherlock, die het jaar erop overleed. Daarop keerde hij terug naar Cambridge, waar hij contact had met Augustus Welby Northmore Pugin. Via Pugin leerde hij Jean Bethune kennen, waarmee hij goed bevriend raakte. Na de dood van zijn vader in 1855 werd John verantwoordelijk voor het grote familievermogen. Hoewel hij dus af en toe naar Engeland terugkeerde om het beheer van het landgoed te inspecteren, had hij zich gevestigd in Brugge, waar hij in de Gouden-Handstraat woonde, en in het Duitse stadje Kiedrich. Ondertussen had hij zich bekeerd tot het katholicisme en had hij ook besloten om zijn fortuin ten dienste van de katholieke kerk te stellen. In Kiedrich richtte hij in 1865 een Choralschule op, en nam o.a. de kosten op zich voor de restauratie van de kerk. In Brugge was hij in 1857, samen met kardinaal Wiseman, de mede-oprichter van het Engels Seminarie. Met Suttons dood in 1873 kwam er echter ook een einde aan dit seminarie. Suttons stoffelijk overschot werd op het kerkhof van Sint-Kruis bij Brugge bijgezet in de familiekelder van kanunnik Amaat Boone, maar in 1874 overgebracht naar Kiedrich.
Links[wikipedia]
Relatie tot GezelleEngels Seminarie
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; L. VAN BIERVLIET
NaamVan Costenoble, François Auguste
Datums° Bailleul (Belle), 22/09/1821 - ✝ Flêtre (Vleteren), 16/09/1901
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
VerblijfplaatsFrans-Vlaanderen (Frankrijk)
BioFrançois Augustin Van Costenoble werd op 22 september 1821 te Belle geboren als zoon van Jean Pierre François (1793-1859), landbouwer, en Eugénie Rosalie Breyne (1798-1888, Elverdinge). In 1845 werd hij tot priester gewijd, en werd datzelfde jaar aangesteld als onderpastoor te Flêtre (Vleteren) (20/12/1845). In september 1853 werd hij aalmoezenier van de gevangenis van Loos. Vervolgens was hij onderpastoor te Haubourdin (10/06/1856), te Fives (14/06/1858) en pastoor te Rainsart (27/10/1858), te Zermezele (22/08/1860) en te Flêtre (21/09/1881). Hij was een belangrijk figuur van de tweede generatie van het Comité Flamand de France (1853) en verleende in die hoedanigheid samen de met stichter, Ingnace de Coussemaker, eveneens uit Belle, zijn steun aan het nieuwe tijdschrift ‘Ons oud Vlaemsch’, een werkstuk van de hand van Guido Gezelle. Omwille van geldgebrek bleef dit ‘toogexemlaar’ het eerste en enige nummer. Via zijn neef Charles Beke-Crombet uit Kortrijk – hun moeders waren zussen – kwam Van Costenoble persoonlijk in contact met Gezelle. Vanaf mei 1884 ontstond er zo een levenslange vriendschap en correspondentie tussen beide heren. Van Costenoble nodigde Gezelle nog datzelfde jaar uit om lid te worden van het Comité Flamand de France. Frans Van Costenoble stierf op 16 september 1901 te Flêtre.
Relatie tot Gezellecorrespondent; Comité Flamand de france
BronnenCaroline Vestraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899. Gent: Cultureel Documentatiecentrum Rijksuniversiteit, 1987; Christine Decoo, De brieven van elf vooraanstaande Frans-Vlamingen aan Guido Gezelle (1884-1899). Gent: RUG. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Vakgroep Germaanse filologie, 1981; J. de Mûelenaere, ‘Bij een portrettekening van Cordelia Vande Wiele’. In: De Leiegouw. Jg. 14 (1972), p. 341-344; C. Gezelle, Guido Gezelle en fransch-vlaanderen. In: Dietsche Warande en Belfort, jg. 1923/8, p. 853-878; https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/comite-flamand-de-france; L. Van Biervliet, Negentiende-eeuwse Vlaamse contacten over de Frans-Belgische staatsgrens heen. In: Verslagen en Mededelingen van de KANTL, vol. 128, nr. 1, 2018, p. 61-82 (http://www.bntl.nl/files/300345/Van%20Biervliet%202018.pdf); Journal d'Ypres (02/10/1901) (https://historischekranten.be)
NaamVan Coillie, Fredericus Ferdinand
Datums° Beveren (Roeselare), 06/02/1804 - ✝ Brugge, 04/11/1884
GeslachtMannelijk
Beroeponderpastoor; pastoor
BioFredericus Ferdinand Van Coillie werd op 6 februari 1804 te Beveren-Roeselare geboren als zoon van Jan Hendrik Van Coillie (1757-1831) en Regina Victorina Vandewaeter (1759-1838). Hij ontving zijn priesterwijding te Mechelen op 2 augustus 1827, werd onderpastoor te Izegem (1827), en van 1841 tot 1882 pastoor van de Sint-Gilliskerk te Brugge. In 1853 werd hij ook deken van Brugge-Noord en in 1867 erekanunnik van het bisdom Brugge. Deken van Coillie was de mentor en geode vriend van Ernest Rembry die zijn onderpastoor op de Sint-Gillisparochie was. Ook Gezelle zocht zijn toevlucht bij hem, nadat hij in 1860 overgeplaatst was naar Brugge. Bovendien was hij de oom van zijn oud-leerling Victor Van Coillie. Verder was hij stichter van de Congregatie van de Dienstmaagden van de Zaligmaker, Brugge/Heule (1854) en van de Congregatie van de Zusters van de Onbevlekte Ontvangenis, Heist (1859). Op 4 november 1884 overleed hij in zijn huis in de Annunciatenstraat E35 (57-64).
Links[odis]
Bronnen https://gw.geneanet.org/lukva1?n=van+coillie&oc=&p=fredericus+ferdinand; E. Rembry, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge (1311-1896), met aanteekeningen over kerk en parochie. Brugge: De Scheemaecker-Van Windekens, 1890-1896, p.422-604.
NaamGailliard, Melchior Joannes
Datums° Brugge, 05/01/1755 - ✝ Gistel, 22/02/1817
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioMelchior Gailliard werd geboren op 5 januari 1755 in Brugge, als zoon van Joannes-Jacobus Gailliard en Agnes-Theresia de Deurwaerder. Op dezelfde dag werd hij gedoopt in de Sint-Salvatorskerk. In 1772 werd hij als student van de Lelie ingeschreven als eerste van de tweede linie te Leuven en behaalde later zijn baccalaureaat in theologie. Op 4 december 1777 ontving hij zijn verlofbrieven tot het priesterschap, en op 20 december 1777 werd hij tot priester gewijd in Mechelen door kardinaal Frankenberg. Hij werd op 16 maart 1778 benoemd tot pastoor van Sint-Gilliskerk te Brugge. Tijdens de Franse bezetting werd hij op 26 maart 1793 weggevoerd naar Duinkerke bij de ontruiming van Brugge, maar hij slaagde erin te ontsnappen. In 1794 werd hij als gijzelaar opgesloten in Dowaai voor de boete van 1.536 pond. In 1797 weigerde hij de eed van haat aan het koninkrijk af te leggen. Op 1 april 1800 gaf hij het “Memoriale in Generationem” uit in Brugge, waarin hij vermeld stond als pastoor van Sint-Gillis en kapelaan van de O.L.-Vrouwekerk te Brugge. Op 3 april 1801 kreeg hij toestemming om verboden boeken te lezen. Op 10 januari 1803 werd hij benoemd tot pastoor van O.L.-Vrouwekerk te Gistel, waar hij uiteindelijk op 22 februari 1817 in zijn pastorie overleed. Hij was de grootoom van Gezelles vriend Edward Gailliard en wordt vermeld in de briefwisseling omdat Rembry een levensbeschrijving aan hem wijdde in zijn werk De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge.
Links[odis]
BronnenE. Rembry, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge. Brugge: De Scheemaecker - Van Windekens, 1896, p. 200vv
NaamJennyn, Joannes; Jan
Datums° Ieperse, ca. 1600 - ✝ Ieper, 12/01/1657
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; deken; kanunnik
BioJoannes Jennyn, zoon van Sebastiaan Jennyn en Maria Batemans, was volgens Rembry afkomstig uit het Ieperse. Hij behaalde de titel van doctor in de godgeleerdheid en in de rechten. Hij was onderpastoor in de Sint-Bertenskerk te Poperinge en werd in december 1635 benoemd tot pastoor van de Sint-Niklaaskerk te Westkapelle. Op 24 juli 1637 werd hij de vierentwintigste pastoor van de Sint-Gilliskerk te Brugge. Daar speelde hij een belangrijke rol in de uitbouw van de devotie rond de patroonheilige. Nadien werd hij op 21 maart 1638 deken van Damme dit tot 5 mei 1642. In 1643 werd hij pastoor te Poperinge, Sint-Janskerk en op 9 juni 1655 kanunnik van de hoofdkerk in Ieper. Hij overleed te Ieper op 12 januari 1657 en werd begraven in het hoogkoor van de Brugse Sint-Gilliskerk. Jennyn publiceerde tal van werken, waaronder "Vera Confraternitatis SS. Trinitatis de redemptione captivorum idea" (Brugge, 1640), dat meerdere keren werd herdrukt. Hij wordt in de briefwisseling van Guido Gezelle en Ernest Rembry vermeld omdat Rembry aan hem een biografische schets wijdde in De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge.
Links[odis]
BronnenE. Rembry, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge. Brugge: De Scheemaecker - Van Windekens, 1896, p. 88vv

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge

Naam - instituut/vereniging

NaamEngels Seminarie
BeschrijvingHet Engels Seminarie te Brugge werd opgericht door John Sutton in 1858 met de steun van de Engelse katholieke kerkleiding. Sutton was een tot het katholieke geloof bekeerde Engelse baron die in 1855 een groot fortuin geërfd had. Hiermee liet hij scholen en kerkelijke gebouwen herstellen of bouwen en richtte hij katholieke instellingen op. In het Engels Seminarie werden Engelse, Schotse en Vlaamse jongens opgeleid tot missionarissen voor Engeland. Ook Gezelles broer Jozef was er een tijdje ingeschreven als leerling. Het seminarie was gevestigd langs de Lange Rei in Brugge, schuin tegenover het grootseminarie en verhuisde later naar de Potterierei, nu het Sint-Leocollege . Op 26 augustus 1860 werd Gezelle er aangesteld als professor in de filosofie. Hij zou er vijf jaar blijven, vanaf februari 1861 als vice-rector. De benoeming was voor Gezelle een hoogtepunt in zijn professioneel en sociaal leven. Door zijn functie kwam hij nu in contact met prominente Engelse clerici als Wiseman en Faber.
Datering1859-1873
Links[odis]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelBiekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelDe bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge (1311-1896)
AuteurRembry, Ernest
Datum1890-96
PlaatsBrugge
UitgeverDe Scheemaecker-Van Windekens
TitelGeschiedenis der Heilige Elisabeth van Ungarn, landgravin van Duringen (1207-1231)
AuteurMontalembert, Charles Forbes; Cuppens, August; Gezelle, Guido; Damien, Jos
Datum1897
PlaatsGent
UitgeverSiffer
TitelA mons. Mangeruva, vescovo di Gerace. Lokris. XX. Settembre M.D.CCC.XC.V.
AuteurMacry-Correale, Domenicus
Datum1895
PlaatsSiena
UitgeverTip. S. Bernardino

Titel16/03/1897, Brugge, Ernest Rembry aan [Guido Gezelle]
EditeurKoen Calis; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKoen Calis; Universiteit Antwerpen, Rembry Ernest aan Gezelle Guido, Brugge (Brugge), 16/03/1897. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderRembry, Ernest
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum16/03/1897
VerzendingsplaatsBrugge (Brugge)
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Gepubliceerd inDe briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899 / door Caroline Verstraeten. - Gent : Cultureel Documentatiecentrum Rijksuniversiteit, 1987, p.164-165
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 172 mm x 110 mm
papier, wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief6857
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13220
Inhoud
IncipitJ'ai bien reçu votre bonne lettre
Tekstsoortbrief
TalenFrans
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.