Verbeeld u, wat mij nu gebeurt! De redakteur van een der voornaamste Hollandsche tijdschriften, zelf dichter, zendt mij mijn studie over G.G.[2] terug met de opmerking: “ik had ze geplaatst, zoo gij geen verzen van den schrijver hadt aangehaald, op uw gezag; nu gij wel verzen sieteert, is het mij onmogelijk. Voor die poëzie voel ik niets! Hier zal zij geen bijval vinden!” Is ‘t niet om.... om te vallen!!! Nu, ik geef den moed niet op. Verschijnen zal mijn studie, en in Holland nog al. Zij moet. Donderdag aanstaande zal ik, te Utrecht, van de studenten der Universiteit, Gezelle behandelen.[3] Ik weet op voorhand dat mijn gehoor G.G., zal genieten! En nog elders, in Holland, zal ik den edelen man behandelen. En hier te lande ook, al moest ik het doen te Gent, bij de studenten van ‘t zal wel gaan. Laat men mij maar vragen hier of daar en dadelijk treed ik voor G.G., den veelmiskende, in ‘t krijt. Zouden
Een idee. U bezit het laatste handschrift[4] van Berten. Zouden wij dat in de Vlaamsche School mogen laten fotograveeren? U krijgt het handschrift eerlijk terug.
Schreef U al aan G. en aan de Meester? wacht dan later op een bezoek van U om alles te regelen. Op mijn medehulp rekent U natuurlijk zooveel ‘t u lust. Ik doe dit van ganschen harte! Met geestdrift zelfs! Gezelle moet, als de olie, boven!, als de olie, boven! wacht dan later op een bezoek van U om alles te regelen.[5] Op mijn medehulp rekent U natuurlijk zooveel ‘t u lust. Ik doe dit van ganschen harte! Met geestdrift zelfs! Gezelle moet, als de olie, boven!, als de olie, boven!
Maar...., zijn er onder de Leuvensche studiosi nog flaminganten? Of laten die niets van zich meer hooren? In Bertens en mijn tijd ging het anders.







