Leuven 20.XI.’96
Vereerde Meester!
'K late U de kaarte[1] die Pol de Mont mij schreef bij dezen geworden. Ge zult der in zien hoe de man over gekomen is, en dat ik met recht steun en hulpe van hem verwachte. Ziet dat gij zoo gauw als meugelijk de zake met Demeester van Rousselaere bespreekt. 't moet nu ne keere een waar Eereboek[2] worden, zoo dat die den dichter niet en verstaat ten minsten, gelijk Julius[3] zei, den drukker moete lof geven.
Kunt ge mij, uwen ouden schooijer, den Gevelden eeke niet zenden? hij en wilt uit men zinnen niet!
Met hert en ziel
uw
GV.







