Hertelijk bedankt voor uwe gelukwenschen, nieuwjaarwenschen, en bijzonderlijk voor uwe prachtige XIV Stonden. Ik wensche u ook van herten veel geluk en een zalig nieuwjaar, en nog veel navolgende.
Uw neve Caesar stelt het alderbest: wij zouden meer of zinnelijk moeten zijn om van hem te gaan klagen: ‘t gaat daar, met Gods genade, een alderdeftigste priester uit groeien. ‘t Mogen er nog veel zulke naar ‘t Seminarie komen!
Uw voorstel heeft mij wat verlegen gemaakt, maar ik hope evenwel dat ik zal bekomen van uw gedicht[1] in de aflevering van Maarte aan te kondigen, met de opdracht daarbij: dit ware genoeg om uw doel te bereiken. Ik heb daar al twee medeleeraars van gesproken, en zij zouden dat geerne voor u doen. ‘k Moete daar nu nog Mr den Voorzitter van spreken, en dát.. zal slag naar val zijn! Mochte ik hem uwe beweegredens en uwe begeerte bijbrengen, voorzeker zou hij toestemmen. Maar ‘k vreeze stijf dat mijne redens bij hem niet en zullen daken. ‘t Beste van al zou zijn dat gijzelf eens kwaamt, en hem (afzonderlijk, op zijne kamer) liet verstaan hoe dat men, in de kon. vl. Academie, en elders nog, denkt dat gij, ter oorzake van ….., en hoe dat eene enkele melding van uw gedicht, opgedragen aan…, in onze Collationes…, al die vooroordeelen zou te niet doen. – ‘k Zegge vooroordeelen, trouwens ‘k mag u verzekeren dat onze Hoogweerde Bisschop u van ouds hoogacht en u zeer genegen is. Insgelijks de leeraars van ‘t Seminarie: ik eerst en meest!p2Gelief dus in ‘t korte te komen (vermijd nogtans maandag en dysendag toekomende), en met ons te noenmalen: dát zal geweten zijn, en eenen goeden indruk maken op de deze die ‘t noodig hebben, en bovendien en zal men u hier niets ontzeggen van al ‘t gene u voldoening kan verschaffen.







