-Ik neem de vrijheid u om toelating te bidden, om, in een bloemlezing,[1] uitsluitend voor het middelbaar onderwijs, enige van uw gedichten, soms geheel, soms gedeeltelik, op te nemen. Geheel wilde ik geven: 't Ruischen, - o Gulden hoofd der blijde zonne, - De eerde doomt, De Rave (bl. 323, Tijdkr.), Groeningheveld, - Zon, als ik vol groene blâren; gedeeltelik: Pachthofschildering, Hoe schittert mij die spa, Geluwgroene legerscharen, o wilde en onvervalschte pracht, De navond komt zo stil, Hoe riekt gij, Bamisbossen, Gewend, gewaagd, Storme (uit Vertijloosheid), Hoe zeere vallen ze af.
Ik zal wellicht geen plaats hebben om dit al te geven. Gij ziet echter dat ik mijn best wil doen, om u de plaats in te ruimen, die u toekomt.
Dank voor de verzen die Prof. G. Verr. mij uit uw naam toezond. Eerlang plaats ik ze.[2]
Mijn uitvoerige studie over G. G. komt bepaald in De Gids (Amsterdam). Ik wacht[3] elke dag proef.[4] Ik denk: in de aflevering van 1 Juli.[5]
Ik weet wel dat de wet veroorlooft voor schoolboeken te nemen, maar ik neem niet graag, zonder toelating.[6]
Gelief, bid ik, de tietels van de stukken in uw geëerd antwoord te vermelden.







