Zeer geachte Heer en vriend.
't Is mij gansch onmogelik van te komen: onze Bisschop komt hier tot Vogelsanck den 23n, en, alhoewel het mij schrikkelik pijn doet, moet ik hier blijven.
Ik had nogtans geerne iet gezegd van uitgeven van boeken. . . Nu, 't zal voor toekomenden keer zijn, als 't God belieft.
Ze zijn volop aan 't drukken voor 't Daghet: volop te verstaan in den zin van den tragen heer Ceysens.
Ik verzoek U, eerw. Heer en Vriend, alle de biekens van de Halle van mijnentwege hertelik te groeten, en u bezonder bied ik eenen wermen handdruk in Christo
Polyd Daniëls priester
Vogelsanck,[1] 21 Junii 1887.







