<Hit 1358 of 2965

>

p1+
Hooggeachte Heer Gezelle,

Over eenige maanden heb ik mij de volledige verzameling van “Loquela” gekocht en tamelijk veel, zooveel als de tijd het mij toeliet, heb ik er in gelezen. Van over jaren hoorde ik van uwe taal- en dichtkundige werken spreken; nu heb ik u beter leeren kennen in uw schoon taalblad. Loquela lees ik heden zoo geerne, dat zoolang ik jaarlijks boven de noodige uitgaven 1.25 fr of 2.50 over heb, en Loquela Loquela blijft, ik er zal op ingeschreven staan.

‘k Weet van mijnen vriend en studiemakker A. Verdoodt, die u verleden jaar nog al eens schreef,[1] en ook uit Loquela hoe geerne gij hebt dat u inlichtingen toekomen over woorden in uw tijdschrift opgezant en over andere ongeboekte woorden en uitdrukkingen. In ‘t lezen van Loquela deed ik zoo menige aanteekening, die u misschien welgekomen zou zijn. Als de tijd het mij zal toelaten zal ik ze u overschrijven en toesturen.p2Ik begin vandaag met iets of wat over de leste aflevering van Pietmaand[2] op de nevenzij te schrijven.

Mochten mijne aanteekeningen u van eenig nut zijn; dat is al wat ik verlang.

Nog een woordeken. Natuurlijk, Eeerweerde[3] Heer, en kent gij hem niet die u schrijft. ‘K zal u dan zeggen dat ik student ben in ‘t groot seminarie van Mechelen, en uit gansch mijn hert onzer taal- kunst- en Volksbeweging ben aangekleefd. Gelijk velen mijner schoolgezellen, ben ik voor de gezuiverde volkstaal genegen, en afkeerig van de stijve hollandsche boekentaal.

Mijne geboortestad en woonplaats is Halle (Brabant)

Manten en Kalle
Ze gingen te gaar naar Halle,
Enz … duik-almanak - 6 sporkele[4]

Geef ik u dan soms ongeboekte woorden op, ze zullen gekomen zijn uit den tongval mijner geboortestad, (tongval die onder meer dan een opzicht op den Westvlaamschen trekt). Tenzij ik het anders aanduide.

Weet ge, Eerw. Heer, dat drij uren van Halle, te Herne (Brabant) neven Edingen[5] (Enghiën), de slepende e,[6] achter zoovele woorden bijna als in West-Vlaandren, gevoegd wordt? Daarvanp3 later.

Aanveerd, Eerw. Heer, mijne eerbiedige groetenissen
J. Sencie
Groot Seminarie
Mechelen (Antwerpen)

Aflevering Oestmaand. - Onverwaaid.[7]

Bij ons komt het woord verwaaien eens voor en dat is in de uitdrukking:

Zijne beenen of billen zijn verwaaid van den wind.

Wordt bezonder gezegd van kinderen die in hun broeksken p…. of wateren (gelijk de Hollanders zeggen) als, met windweder, het wat opdroogt en op het vel kleine roode puistekens komen, die jeuksel te weeg brengen.

Pietmaand.

aan ‘t woord Kerstig.[8]

In meestal de woorden die rst of rs hebben wordt te Halle in de uitspraak de r weggelaten.

B.V. bĕ(u)zze = beurze

ĕzel = orzel

kĕzel = korzel

kĕt = kort

stĕtten = storten

schĕs = schors

+ In die woorden wordt de ĕ uitgesproken als in ge van gezelle kort; ze heeft een beetje weg van de eu kreut.[9]

Een ander voorbeeld van de weglating der r, hebben wij, denk ik, in ons woord gettig; E.g. Dat brood is gettig; dat wil zeggen dat in dat brood vast, voedend kruim in zit, dat er deugd in zit, zoo als het is in brood van tarwebloem p4met korenbloem gemengeld, gemaakt. Men heet dat brood hier gruizen of geruiszen brood.

Dat woord gettig is dunkt mij, eene samentrekking van ‘t woord gehertig (van herten, zie Loquela Pietmaand)[10] dat men anders niet en zou uitspreken als gettig; immers van gehertig, valt de r weg, en ‘t woord wordt gehettig; de h en is bij ons niet gekend, dus geëtig en bij gevolg gettig.

Gevolg daarvan is dat wij ‘t bijvoegelijk naamwoord bezetten van ‘t werkwoord in ‘t Brugsche gebezigd.

In ’t Bijblad van Oestmaand werd er gevraagd wat brood was, dat niet genoeg geerd (geheerd) en is.[11] En heeft dit woord geene betrekking met gehert (geerd)? Het zou er eene verkorting kunnen van zijn. dees gis ik enkel.

Verder nog voor ‘t woord kerstig. (bl. 36)[12]

Bij ons bestaat een spel met de marbers dat men knetsen[13] (zie aan dit woord Schuermans) en ‘t welk bestaat in de knikkels op een te stooten en ze zoo van elkander te verwijderen.

Het woord kretsen[14] (gratter)[15] en van daar kretserken (allumette)[16] L. Schuermans), wordt bij ons gelijk al de werkwoorden van dien aard, uitgesproken krăchen gelijk ch in fransch cracher, of sh in ‘t Engelsch to crash: andere voorb.: smetsen[17] (Schuermans), dretsen[18] (of dressen), pletsen,[19] flets(en)[20] = (pannekoek), knetsen;[21] in al die woorden verandert e in a en ts in ch

Ik hoor soms eene uitdrukking bij ons, maar weet niet juist of zij niet “gefabrikeerd” is geweest door ‘t volk in latere tijden: Krets (uitgesproken Krach) zijn, dat beteekent zat zijn, bedronken zijn. (en dus krank van zinnen)

Het woord krezer, kreyser van Kiliaen[22] bestaat bij ons nog; maar zonder de laatste r; men zegt krêse (fransche ê = fransch braisê) en dat beteekent ruststoorder, lastigaard, een jong die niemand kan in vrede zien en gerust laten, maar die altijd krezt of ontevreden is, of last verkoopt.

Annotations

[1] Guido Gezelle bracht een rede tijdens de feestzitting ter ere van L.L. De Bo, georganiseerd door het Davidsfonds te Tielt in 1885. In één adem bekritiseerde de dichter het al te voortvarend optreden van de West-Vlaamse studentenbeweging. Met het pamflet ‘De Ruitenbrekers’ reageerden de studenten en klaagden het gebrek aan loyaliteit van hun ‘Heer en Meester’ aan. In zijn brieven van november en december van 1885 vroeg Alfons Verdoodt dat Gezelle zijn visie op de Vlaamse beweging klaar en helder toelichtte.
[2] Loquela: 6 (Pietmaand 1886) 5.
[3] Sic.
[4] Guido Gezelle publiceerde de spreuk in: Duikalmanak: (06/02/1886) alsook in 1888.

Het vervolg van de spreuk gaat daar als volgt:

Manten liep ‘s zeerst

En Kalle was er eerst.

Manten = Amandus en Kalle = Katherine.
“De twee figuren die tot 1382 op de Kortrijkse beiaard het uur of halfuur sloegen – nu op de Notre-Dame in Dijon – bleven in Vlaanderen spreekwoordelijk als typen voor man en vrouw.” J. Boets, Guido Gezelle. Spreuken en gezegden. Coda: Antwerpen, 1993, p.282.

Gezelle publiceerde de spreuk ook al eerder met uitleg in: Dagwijzer, Woensdag, 6, Sint-Amandus of Amand. In: Rond den Heerd: 2 (2 February 1867) 10, p.77.

[5] Het stadje Edingen (Frans: Enghiën) ligt net over de taalgrens op 20 km ten westen van Halle in de provincie Henegouwen.
[6] ‘Slepende e’ verwijst naar een toegevoegde e, zwak, dof uitgesproken (/ə/). Deze wordt veelal toegevoegd in dialectwoorden vb ‘zevene’ i.p.v. ‘zeven’. In een brief van G. Gezelle aan G. Van Mullem schrijft Gezelle: “Het woord "slepende e" is een dwaas uitvindsel”. Volgens hem hoef je je niet druk te maken over die toegevoegde ‘e’. Of het nu 'roede' of 'zevene' is, die eind-e klinkt altijd al zacht en slepend. Het is geen grote uitzondering of afwijking.
[7] G. Gezelle, Zantekoorn. Onverwaaid. In: Loquela: 6 (Oestmaand 1886) 4, p. 25-31: “(...) Deken De Bo zaliger heeft in zijn Idioticon het w. verwaaid opgeteekend, dat, door verwarringe, in den zin van onverwaaid misbezigd wordt. Hij zegt immers aldus, bij Verwaaien, “door den wind gedroogd, neergeworpen, geslingerd, gewrongen” worden. (...)”.
[8] G. Gezelle, Zantekoorn. Kerstig. In Loquela: 6 (Pietmaand 1886) 5, p. 34-37: “(...) Het vreemd w. Kerst, kersten, kerstenen, Kerstdag, enz., dat buiten allen twijfel met eene r te schrijven is, als afkomstig van het Grieksche Christos, latijn Christus, wordt insgelijks Kest, kesten, Kestdag uitgesproken; zoo hoort men nog besten voor bersten, neste voor nerste, west voor werst, desschen voor derschen, weffel voor werfel - wervel, kespe voor kerspe, eeder voor eerder, zeeder voor zeerder, enz. (...)”.
[9] ”Kreute, krutte ook krote, v. Kindje, fr. petit enfant.“ Zie L.-L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Gailliard, Brugge, 1873, p. 573.
[10] G. Gezelle, Zantekoorn. Herten. In Loquela: 6 (Pietmaand 1886) 5, p. 33: “Herten, Hertte, gehert. = Herte hebben of doen hebben. — Men zegt b. v. van brood dat het niet genoeg gehert en is als het herte, de binnenste kruime van 't brood, deegachtig is, 't zij omdat het brood te letter gebakken of niet genoeg gekneed en wierd. Geh. in 't Brugsche. Z. De Bo, i. v. gehert.”
[11] Vraag in: Bijblad van Loquela: 6 (Oestmaand 1886) 4, p. 1: “Wat is brood, dat niet goed, niet genoeg geerd (geheerd) en is? Uitspr. -eer- gelijk 'm peerd.”
[12] Gezelle, Zantekoorn. Kerstig. In Loquela: 6 (Pietmaand 1886) 5, p. 34-37: ”KERSTIG, uitspr. kestig. = Vijsgezind, hittig, kittig, korzel, haastig, kort van stoffe. — ”Dat dat veintje zoo kerstig ni' en ware, 'k zouder wel mee over de' weg kunn'. Ja ma', die knape is wa' kerstig, meen-je. Hij is wa' kerstig, ge zoudt rap 'n wante krijgen.“ Geh. Beueren-bij-Rousselaere. (...)
p.36: Kortbrakig, gelijk een karste, vijsgezind, knoterachtig, korzelhoofdig, enz., gelijk een die aan tafel zit, en, niet wel ter ate zijnde, op alles wat te knoteren en te knorzelen vindt. Dat is korstig, karstig, kortkarstig, dat is kerstig zijn.”
[13] In: L.W. Schuermans, Algemeen Vlaams Idioticon, Leuven, 1865, p. 262: “KNETSEN, KNITSEN, o. w., knotsen, tegen elkander stooten (Kemp.); in Kl. -Br.: een marbers- of knikkersspel, elders knitsen gezegd.”
[14] Kretsen. In: L.-L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Brugge, 1873, p. 573: ”Kretsen, kretste, heb gekretst (fvl. èkretst), b. w. Krassen, krabben, fr. gratter.“
[15] in: L.W. Schuermans, Algemeen Vlaams Idioticon, Leuven, 1865, p. 289: “KRATSEN, in Limb. en Duitschland gebruikt voor krassen (krabben), fr. gratter; bij Kil. kratsen en kretsen, engl. crathe , scratche, I. scabere.”
[16] In: L.W. Schuermans, Algemeen Vlaams Idioticon, Leuven, 1865, p. 293: “KRETSKEN, o., voor: kretsstekje, fosfoorsteksken ( Brab.); van: kretsen.”
[17] In: L.W. Schuermans, Algemeen Vlaams Idioticon, Leuven, 1865, p. 631: “SMETSEN (smijtsen), onder het eten de beweging van tong en tanden laten hooren (omstr. Brussel). Z. smatsen, smots.”
[18] In: L.W. Schuermans, Algemeen Vlaams Idioticon, Leuven, 1865, p. 105: ”DRESSEN, DRETSEN, DRIJTSEN, o. w. spatten, uitspatten: als men een steen in eenen plas werpt, drest et water op al wat er omtrent is. Het regent dat het drest, d. i. het regent fel: vanhier dresregen, stortregen. Omtr. Leuv., te Antw. st. en pr. dressen."
[19] In: L.W. Schuermans, Algemeen Vlaams Idioticon, Leuven, 1865, p. 490: ”PLETSEN, van plets (slag)., drukt den klank uit van een slag of van iets wat valt, en vandaar de beteekenis van kletsen, klappen, klakken, slaan: in de handen pletsen. Iemand op de kaak pletsen. 't water of in 't water kletsen ( VI., Br., Antw., Limb.).”
[20] In: L.W. Schuermans, Algemeen Vlaams Idioticon, Leuven, 1865, p. 127: ”FLETS, v., woord dat het gerucht uitdrukt 't welk een week of vloeibaar lichaam maakt als het valt: het meisje viel en, fIets, daar lag haar melk op den grond.”
[21] In: L.W. Schuermans, Algemeen Vlaams Idioticon, Leuven, 1865, p. 262: ”KNETSEN, KNITSEN, o. w., knotsen, tegen elkander stooten (Kemp.); in Kl. -Br.: een marbers- of knikkersspel, elders knitsen gezegd.“
[22] Kiliaen: ”Kreser kreyser: vetus. fland . j. (= id est) muyt-maecker. Kreten, j. (= id est) kreyten: irritare.”

Register

Correspondents - persons

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NameSencie, Pieter Jozef; Sencie Jozef; Vander Hofstadt
Dates° Halle, 20/09/1865 - ✝ Leuven, 15/08/1941
SexMannelijk
Occupationpriester; docent; geestelijk directeur; hoogleraar
BioPieter Jozef Sencie werd op 20 september 1865 geboren in Halle. Zijn ouders, Pieter Constant (°1825) en Marie Philippine Merkx (°1823), hadden er een schoenmakerszaak. Na zijn studies aan het kleinseminarie in Hoogstraten en aan het grootseminarie in Mechelen (1883-1888), werd Pieter Jozef 22 september 1888 tot priester gewijd van het aartsbisdom Mechelen. Hij studeerde aan de Leuvense Universiteit en engageerde zich er in tal van katholieke, Vlaamse studentenbewegingen: ‘Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond’ (KVHV), ‘Met Tijd en Vlijt’, en ‘Eigen Taal Eigen Zeden’. Hij was medewerker van het tijdschrift ‘De Student’ vermoedelijk onder het pseudoniem Vander Hofstadt, en medestichter van het Leuvense studententijdschrift ‘Ons Leven’ (1888). Hij was spreker op tal van studentenlanddagen. In juli 1892 promoveerde hij op een doctoraat wijsbegeerte en geschiedkundige wetenschappen. De geschiedenis van Griekenland en Griekse epigrafie werden zijn vakgebied. Van 1892 tot 1898 was hij docent aan de Katholieke Universiteit Leuven en van 1898 tot 1939 onderzocht hij als gewoon hoogleraar de methodologie van het historisch onderzoek en zette Oude Geschiedenis als wetenschap op de kaart. Men sprak voortaan van Altertumswissenschaft of oudheidkunde. Hij werd in 1894 president van het Pauscollege te Leuven en daarna, vanaf 1906 tot 1941, geestelijk directeur van de Zusters van Maria te Leuven. Bij de Duitse aanval op deze stad in augustus 1914 ging het huis van de hoogleraar, samen met zijn bibliotheek, cursusnota’s en onderzoeksdata in vlammen op. In 1924 werd Jozef Sencie de grote bezieler van de ‘Vlaamse Leergangen’, een organisatie die fondsen inzamelde om talentvolle studenten te ondersteunen en de vervlaamsing van het hoger onderwijs in Leuven te realiseren. Zelf doceerde hij van meet af aan in het Nederlands en eiste van iedere lesgever dezelfde hoge taalkundige standaarden. Sencie verwierf de financiële en morele steun van het Vlaamse katholieke middenveld zoals de pers, het Davidsfonds en de Boerenbond, van ondernemers als L. Gevaert, en van de schrijfster Maria Belpaire. Zijn vereniging telde meer dan 2000 Vlaamse katholieke leden. Uiteindelijk zou de universiteit vanaf 1943 uit een Franse en een Nederlandstalige afdeling bestaan. Uit erkentelijkheid voor de pionier noemde men een nieuwbouw van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte naar hem: het Monseigneur Sencie-Instituut (MSI) (1953). Vanaf 1925 was Sencie voorzitter van de ‘Vlierbergh-Sencie-leergangen’, een Vlaams navormingscentrum voor docenten en leraren. De titels, erekanunnik van het Sint-Romboutskapittel te Mechelen (1900) en ‘huisprelaat van de paus’ (1934), werden hem verleend door de kerkelijke overheid. In 1939 ging Pieter-Jozef Sencie op emeritaat. Hij overleed thuis te Leuven op 15 augustus 1941.
Links[odis], [wikipedia]
Relation to Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging

Sender

NameSencie, Pieter Jozef; Sencie Jozef; Vander Hofstadt
Dates° Halle, 20/09/1865 - ✝ Leuven, 15/08/1941
SexMannelijk
Occupationpriester; docent; geestelijk directeur; hoogleraar
BioPieter Jozef Sencie werd op 20 september 1865 geboren in Halle. Zijn ouders, Pieter Constant (°1825) en Marie Philippine Merkx (°1823), hadden er een schoenmakerszaak. Na zijn studies aan het kleinseminarie in Hoogstraten en aan het grootseminarie in Mechelen (1883-1888), werd Pieter Jozef 22 september 1888 tot priester gewijd van het aartsbisdom Mechelen. Hij studeerde aan de Leuvense Universiteit en engageerde zich er in tal van katholieke, Vlaamse studentenbewegingen: ‘Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond’ (KVHV), ‘Met Tijd en Vlijt’, en ‘Eigen Taal Eigen Zeden’. Hij was medewerker van het tijdschrift ‘De Student’ vermoedelijk onder het pseudoniem Vander Hofstadt, en medestichter van het Leuvense studententijdschrift ‘Ons Leven’ (1888). Hij was spreker op tal van studentenlanddagen. In juli 1892 promoveerde hij op een doctoraat wijsbegeerte en geschiedkundige wetenschappen. De geschiedenis van Griekenland en Griekse epigrafie werden zijn vakgebied. Van 1892 tot 1898 was hij docent aan de Katholieke Universiteit Leuven en van 1898 tot 1939 onderzocht hij als gewoon hoogleraar de methodologie van het historisch onderzoek en zette Oude Geschiedenis als wetenschap op de kaart. Men sprak voortaan van Altertumswissenschaft of oudheidkunde. Hij werd in 1894 president van het Pauscollege te Leuven en daarna, vanaf 1906 tot 1941, geestelijk directeur van de Zusters van Maria te Leuven. Bij de Duitse aanval op deze stad in augustus 1914 ging het huis van de hoogleraar, samen met zijn bibliotheek, cursusnota’s en onderzoeksdata in vlammen op. In 1924 werd Jozef Sencie de grote bezieler van de ‘Vlaamse Leergangen’, een organisatie die fondsen inzamelde om talentvolle studenten te ondersteunen en de vervlaamsing van het hoger onderwijs in Leuven te realiseren. Zelf doceerde hij van meet af aan in het Nederlands en eiste van iedere lesgever dezelfde hoge taalkundige standaarden. Sencie verwierf de financiële en morele steun van het Vlaamse katholieke middenveld zoals de pers, het Davidsfonds en de Boerenbond, van ondernemers als L. Gevaert, en van de schrijfster Maria Belpaire. Zijn vereniging telde meer dan 2000 Vlaamse katholieke leden. Uiteindelijk zou de universiteit vanaf 1943 uit een Franse en een Nederlandstalige afdeling bestaan. Uit erkentelijkheid voor de pionier noemde men een nieuwbouw van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte naar hem: het Monseigneur Sencie-Instituut (MSI) (1953). Vanaf 1925 was Sencie voorzitter van de ‘Vlierbergh-Sencie-leergangen’, een Vlaams navormingscentrum voor docenten en leraren. De titels, erekanunnik van het Sint-Romboutskapittel te Mechelen (1900) en ‘huisprelaat van de paus’ (1934), werden hem verleend door de kerkelijke overheid. In 1939 ging Pieter-Jozef Sencie op emeritaat. Hij overleed thuis te Leuven op 15 augustus 1941.
Links[odis], [wikipedia]
Relation to Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging

Recipient

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Place

NameMechelen
SettlementMechelen

Name - person

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NameSencie, Pieter Jozef; Sencie Jozef; Vander Hofstadt
Dates° Halle, 20/09/1865 - ✝ Leuven, 15/08/1941
SexMannelijk
Occupationpriester; docent; geestelijk directeur; hoogleraar
BioPieter Jozef Sencie werd op 20 september 1865 geboren in Halle. Zijn ouders, Pieter Constant (°1825) en Marie Philippine Merkx (°1823), hadden er een schoenmakerszaak. Na zijn studies aan het kleinseminarie in Hoogstraten en aan het grootseminarie in Mechelen (1883-1888), werd Pieter Jozef 22 september 1888 tot priester gewijd van het aartsbisdom Mechelen. Hij studeerde aan de Leuvense Universiteit en engageerde zich er in tal van katholieke, Vlaamse studentenbewegingen: ‘Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond’ (KVHV), ‘Met Tijd en Vlijt’, en ‘Eigen Taal Eigen Zeden’. Hij was medewerker van het tijdschrift ‘De Student’ vermoedelijk onder het pseudoniem Vander Hofstadt, en medestichter van het Leuvense studententijdschrift ‘Ons Leven’ (1888). Hij was spreker op tal van studentenlanddagen. In juli 1892 promoveerde hij op een doctoraat wijsbegeerte en geschiedkundige wetenschappen. De geschiedenis van Griekenland en Griekse epigrafie werden zijn vakgebied. Van 1892 tot 1898 was hij docent aan de Katholieke Universiteit Leuven en van 1898 tot 1939 onderzocht hij als gewoon hoogleraar de methodologie van het historisch onderzoek en zette Oude Geschiedenis als wetenschap op de kaart. Men sprak voortaan van Altertumswissenschaft of oudheidkunde. Hij werd in 1894 president van het Pauscollege te Leuven en daarna, vanaf 1906 tot 1941, geestelijk directeur van de Zusters van Maria te Leuven. Bij de Duitse aanval op deze stad in augustus 1914 ging het huis van de hoogleraar, samen met zijn bibliotheek, cursusnota’s en onderzoeksdata in vlammen op. In 1924 werd Jozef Sencie de grote bezieler van de ‘Vlaamse Leergangen’, een organisatie die fondsen inzamelde om talentvolle studenten te ondersteunen en de vervlaamsing van het hoger onderwijs in Leuven te realiseren. Zelf doceerde hij van meet af aan in het Nederlands en eiste van iedere lesgever dezelfde hoge taalkundige standaarden. Sencie verwierf de financiële en morele steun van het Vlaamse katholieke middenveld zoals de pers, het Davidsfonds en de Boerenbond, van ondernemers als L. Gevaert, en van de schrijfster Maria Belpaire. Zijn vereniging telde meer dan 2000 Vlaamse katholieke leden. Uiteindelijk zou de universiteit vanaf 1943 uit een Franse en een Nederlandstalige afdeling bestaan. Uit erkentelijkheid voor de pionier noemde men een nieuwbouw van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte naar hem: het Monseigneur Sencie-Instituut (MSI) (1953). Vanaf 1925 was Sencie voorzitter van de ‘Vlierbergh-Sencie-leergangen’, een Vlaams navormingscentrum voor docenten en leraren. De titels, erekanunnik van het Sint-Romboutskapittel te Mechelen (1900) en ‘huisprelaat van de paus’ (1934), werden hem verleend door de kerkelijke overheid. In 1939 ging Pieter-Jozef Sencie op emeritaat. Hij overleed thuis te Leuven op 15 augustus 1941.
Links[odis], [wikipedia]
Relation to Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
NameVerdoodt, Alfons; Isidoor Alfons
Dates° Opwijk, 18/10/1863 - ✝ Mortsel, 23/01/1934
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; aalmoezenier
BioIsidoor Alfons Verdoodt werd geboren te Opwijk op 18 oktober 1863. Hij studeerde aan het kleinseminarie en het grootseminarie te Mechelen. Daar raakte hij betrokken bij de studentenbeweging en de redactie van het tijdschrift De Student. Hij zocht in 1885-1886 contact met Gezelle en werkte mee aan Loquela. Na zijn priesterwijding in 1886 studeerde hij theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Vanaf 1888 was hij vervolgens leraar aan het Sint-Bonifaciusinstituut te Elsene (1888), onderpastoor te Antwerpen (1894) en aalmoezenier van het Sint-Elisabeth Hospitaal te Ukkel (1908) en het Psychiatrisch Centrum Sint-Amadeus te Mortsel (1920), waar hij op 23 januari 1934 overleed.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; zanter

Name - place

NameBrugge
SettlementBrugge
NameHerne
SettlementHerne
NameMechelen
SettlementMechelen
NameHalle
NameEdingen

Name - institute

NameGrootseminarie Mechelen
DescriptionHet Grootseminarie Mechelen werd in 1595 opgericht door aartsbisschop Mathias Hovius in het voormalige Standonckcollege, naar aanleiding van het Concilie van Trente. In 1746 begon de bouw van een nieuw seminarie. Doorheen de jaren kende het seminarie verschillende periodes van sluiting en heropening, onder meer tijdens het bewind van Jozef II en de Franse Revolutie. In 1830 kon de priesteropleiding definitief herstarten. Gedurende de 20e eeuw werden seminaristen onder meer getraind voor militaire dienst en vonden er meerdere herstructureringen plaats. In 1970 werd het Grootseminarie van Mechelen gesloten en verhuisden de opleidingen naar Leuven en later ook naar Brussel. In 1995 werd het seminarie tijdelijk heropend als Theologicum, maar door een gebrek aan seminaristen werd het in 2006 volledig geïntegreerd in het Johannes XXIII-seminarie te Leuven.
Dating1595-2006
Links[odis], [wikipedia]

Title - work by Guido Gezelle

TitleDuikalmanak
Links[gezelle.be]
TitleLoquela
Links[gezelle.be]

Title - other work

TitleAlgemeen Vlaamsch Idioticon
AuthorSchuermans, Lodewijk W.
Date1865-1883
PlaceLeuven
PublisherGebroeders Vanlinthout en Karel Fonteyn
TitleEtymologicum Teutonicae linguae sive dictionarium Teutonico-Latinum
AuthorKiliaan, Cornelis (van Kiel, Cornelis)
Date1599
PlaceAntverpiae
Publisherex officina Plantiniana, apud Ioannem Moretum

Title31/10/1886, Mechelen, Pieter Jozef Sencie aan [Guido Gezelle]
EditorMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen
PrincipalEls Depuydt
Funder Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
PublisherGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Publication PlaceBrugge, Gent
Publication Date2025
Availability Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CitingMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen, Sencie Pieter Jozef aan Gezelle Guido, Mechelen (Mechelen), 31/10/1886. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2025 Available from World Wide Web: link .
SenderSencie, Pieter Jozef
Recipient[Gezelle, Guido]
Date Sent31/10/1886
Place SentMechelen (Mechelen)
AnnotationBriefversie van datering: Allerheiligen - Avond 1886 ; adressaat gereconstrueerd op basis van de aanhef en de brieftekst.
Physical Description
Support Material 1 dubbel vel, 209 mm x 134 mm
papier, wit, vierkant geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Condition volledig
Additions op zijde 1 rechtsboven bijgeschreven onder de datum: [31/10] (inkt, hand P.A.); idem rechts in de bovenrand bijgeschreven naast de datum: 9ber (inkt); alle zijden met inkt doorgehaald
Manuscript Identification
CountryBelgië
PlaceBrugge
RepositoryGuido Gezellearchief
ID Gezelle Archive5713
Library recordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.12008
Content Description
IncipitOver eenige maanden heb ik mij de
Text Typebrief
LanguagesNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.