<Hit 1174 of 2965

>

p1+
Eerweerde Heer en Meester,

Dingen genoeg om geheel de toogkasse vul te zetten,[1] maar Jufvrouwe scheidt er maar moeilijk af omdat ze peist dat het al zal gepakt of gepluimd worden. ‘K en zou dat ook niet geern hebben achter mijne moeite.

Wat al: een penne[2] waarbij, hoop ik, nog andere kleine zaken zullen komen.

Een groote verzamelinge van bloemen en kruiden met name er bij waaronder een menigvuldige collectie genre Thuja[3] en ‘t zoetste van al: de kruiden uit den duine. de gramineën[4] welke, zoo gij weet, in zijn studiekamerken hingen, zijn bij den onderpastor van Elverdinge.

Zal dat allemale weerekeeren lijk het gezonden is?

Zijn pijpke is weg. Pastoor van Brielen heeft het gezakt.

Wat moet ik nog doen?

Kan er maar iets weggeraken...? Satibleu! Quos ego[5]

U in Christo toegenegen
J.F. Opdedrinck.
P. 17. 7ber 85.

Annotations

[1] Op 30 september 1885 vond een feestelijke herdenking plaats voor Leonard Lodewijk De Bo in Tielt. Hierbij was er een tentoonstelling (toog) met memorabilia van De Bo.
[2] De schrijfpen van Leonard Lodewijk De Bo werd getoond op de tentoonstelling bij zijn herdenking (nu in het Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr.12851 rode doos).
[3] De Thuja of levensboom is sterk antibiotisch en nuttig tegen schimmel, bacteriële of virale infecties.
[4] Een soort pluimgras.
[5] Vertaling (Latijn): Wacht ik zal ze...

Register

Correspondents - persons

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NameOpdedrinck, Juliaan Frans
Dates° Stene, 27/06/1851 - ✝ Damme, 02/04/1921
SexMannelijk
Occupationleraar; priester; directeur; coadjutor; onderpastoor; pastoor
BioJuliaan Opdedrinck was de zoon van een melkboer uit Stene. Op 27 maart 1875 werd hij priester gewijd in Brugge. Nadat hij vijf jaar als leraar gewerkt had aan de doofstommenschool te Brugge werd hij op 15 september 1880 onderpastoor in de Sint-Janskerk te Poperinge. Daar was hij lid van het bestuur van het Davidsfonds en had hij contact met Guido Gezelle, onder meer over de gezondheid en het overlijden van L. L. De Bo. Op 26 april 1901 werd hij benoemd tot pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Damme, waar hij aan de basis stond van het museum van het St.-Janshospitaal. Na een korte periode als pastoor in Hooglede nam hij ontslag om gezondheidsredenen op 21 maart 1910. Op 20 oktober 1910 werd hij geestelijk directeur van de zusters dominicanessen te Knokke, om in december 1920 op rust te gaan in Damme, waar hij stierf. Mede geïnspireerd door Gezelle schreef hij vele historische studies, waarbij hij zich telkens verdiepte in de lokale geschiedenis, tradities en devotie van de plaatsen waar hij verbleef. Hij was ook lid van het Comité Flamand de France.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; Davidsfonds Poperinge

Sender

NameOpdedrinck, Juliaan Frans
Dates° Stene, 27/06/1851 - ✝ Damme, 02/04/1921
SexMannelijk
Occupationleraar; priester; directeur; coadjutor; onderpastoor; pastoor
BioJuliaan Opdedrinck was de zoon van een melkboer uit Stene. Op 27 maart 1875 werd hij priester gewijd in Brugge. Nadat hij vijf jaar als leraar gewerkt had aan de doofstommenschool te Brugge werd hij op 15 september 1880 onderpastoor in de Sint-Janskerk te Poperinge. Daar was hij lid van het bestuur van het Davidsfonds en had hij contact met Guido Gezelle, onder meer over de gezondheid en het overlijden van L. L. De Bo. Op 26 april 1901 werd hij benoemd tot pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Damme, waar hij aan de basis stond van het museum van het St.-Janshospitaal. Na een korte periode als pastoor in Hooglede nam hij ontslag om gezondheidsredenen op 21 maart 1910. Op 20 oktober 1910 werd hij geestelijk directeur van de zusters dominicanessen te Knokke, om in december 1920 op rust te gaan in Damme, waar hij stierf. Mede geïnspireerd door Gezelle schreef hij vele historische studies, waarbij hij zich telkens verdiepte in de lokale geschiedenis, tradities en devotie van de plaatsen waar hij verbleef. Hij was ook lid van het Comité Flamand de France.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; Davidsfonds Poperinge

Recipient

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Place

NamePoperinge
SettlementPoperinge

Name - person

NameDe Bo, Leonard Lodewijk; Leenaert
Dates° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
SexMannelijk
Occupationhulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/07/1873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
SourcesB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NameDe Bo, Maria; De Bo, Marie
Dates° Beveren-Leie, 14/08/1828
SexVrouwelijk
BioMaria De Bo is de zus van Leonard Lodewijk De Bo. Ze kwam na zijn dood in financiële problemen door de schulden die hij achterliet. Ze moest op zoek naar een nieuw onderkomen. Er werden oplossingen gezocht om haar te helpen. Aanvankelijk kon zij in Ruiselede verblijven, in een voorlopige woonst dankzij de deken, maar daar moest ze ook weer weg. Zij ontving ondertussen geldelijke steun van Guido Gezelle en Pieter Baes en anderen die een soort noodfonds voor haar financierden en alle schulden van Leonard De Bo afbetaalden, dankzij de heruitgave van zijn Idioticon. Het aanbod van een kleinere woning in Ruiselede werd door haar afgewezen, tot ergernis van Pieter Baes. Uit het adressenboekje dat Cordelia Van De Wiele voor Guido Gezelle bijhield bleek dat ze uiteindelijk in het begijnhof van Kortrijk een onderkomen vond.
Relation to Gezellecorrespondent
NameDe Geetere, August
Dates° Brugge, 21/09/1839 - ✝ Brugge, 30/04/1911
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar onderpastoor; pastoor; subregent
BioAugust De Geetere werd in 1839 geboren als zoon van Theresia De Geeter, kantwerkster te Brugge. Hij studeerde o.a. filosofie aan het kleinseminarie in Roeselare (1858-1859) en kreeg bijgevolg les van Guido Gezelle. Op 04/01/1863 werd hij tot priester gewijd te Brugge en werd hij leraar aan de colleges van Diksmuide (26/09/1863) en Oostende (26/09/1864). Van 27/09/1870 tot 26/09/1874 was hij subregent in het Sint-Lodewijkscollege in Brugge. Hij werd eerst onderpastoor te Tielt (26/09/1874) en later pastoor te Brielen (20/05/1885) en Oostrozebeke (12/11/1890). In 1908 nam hij ontslag en in 1911 stierf hij te Brugge na een langdurige en pijnlijke ziekte.
Links[odis]
Relation to Gezelleoud-leerling kleinseminarie Roeselare; correspondent
NameOpdedrinck, Juliaan Frans
Dates° Stene, 27/06/1851 - ✝ Damme, 02/04/1921
SexMannelijk
Occupationleraar; priester; directeur; coadjutor; onderpastoor; pastoor
BioJuliaan Opdedrinck was de zoon van een melkboer uit Stene. Op 27 maart 1875 werd hij priester gewijd in Brugge. Nadat hij vijf jaar als leraar gewerkt had aan de doofstommenschool te Brugge werd hij op 15 september 1880 onderpastoor in de Sint-Janskerk te Poperinge. Daar was hij lid van het bestuur van het Davidsfonds en had hij contact met Guido Gezelle, onder meer over de gezondheid en het overlijden van L. L. De Bo. Op 26 april 1901 werd hij benoemd tot pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Damme, waar hij aan de basis stond van het museum van het St.-Janshospitaal. Na een korte periode als pastoor in Hooglede nam hij ontslag om gezondheidsredenen op 21 maart 1910. Op 20 oktober 1910 werd hij geestelijk directeur van de zusters dominicanessen te Knokke, om in december 1920 op rust te gaan in Damme, waar hij stierf. Mede geïnspireerd door Gezelle schreef hij vele historische studies, waarbij hij zich telkens verdiepte in de lokale geschiedenis, tradities en devotie van de plaatsen waar hij verbleef. Hij was ook lid van het Comité Flamand de France.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; Davidsfonds Poperinge
NameSinaeve, Aloysius Desiderius
Dates° Rumbeke, 11/12/1849 - ✝ Schore, 13/06/1909
SexMannelijk
Occupationpriester; coadjutor; onderpastoor; pastoor
BioAloysius Sinnaeve werd geboren te Rumbeke op 11 december 1849. Hij was het enig kind van Petrus Sinnaeve, bakker van beroep, en Melanie-Natalie Ingelbeen. Op paasavond, 27 maart 1875, ontving hij de priesterwijding te Brugge. Op 27 mei 1875 werd hij benoemd tot coadjutor te Vinkem in de Sint-Omaarskerk. Vervolgens werd hij op 23 november 1875 coadjutor te Mariakerke. Reeds op 17 december 1875 werd hij aangesteld als onderpastoor te Dranouter in de Sint-Jan de Doperkerk. Op 15 november 1877 volgde zijn benoeming tot onderpastoor te Elverdinge, in de Sint-Pieters- en Pauwelskerk. Op 26 oktober 1900 werd hij pastoor te Schore, verbonden aan de O.L.Vrouwekerk. Hij overleed te Schore op 13 juni 1909, waar hij tot aan zijn overlijden als pastoor werkzaam was.
Links[odis]

Name - place

NameBrielen
SettlementIeper
NameElverdinge
SettlementIeper
NamePoperinge
SettlementPoperinge

Title17/09/1885, Poperinge, Juliaan Frans Opdedrinck aan [Guido Gezelle]
EditorKoen Calis; Marc Carlier (research); Peter Debaets (research)
PrincipalEls Depuydt
Funder Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
PublisherGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Publication PlaceBrugge, Gent
Publication Date2026
Availability Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CitingKoen Calis; Marc Carlier (research); Peter Debaets (research), Opdedrinck Juliaan Frans aan Gezelle Guido, Poperinge (Poperinge), 17/09/1885. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
SenderOpdedrinck, Juliaan Frans
Recipient[Gezelle, Guido]
Date Sent17/09/1885
Place SentPoperinge (Poperinge)
AnnotationAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie ; plaats gereconstrueerd op basis van de poststempel.
Physical Description
Support Material 1 enkel vel, 209 mm x 134 mm
papier, wit
papiersoort: 1 zijde beschreven, inkt
Condition volledig
Lay-out rouwpapier
Additions op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.); idem rechts: 17 7ber (inkt)
Manuscript Identification
CountryBelgië
PlaceBrugge
RepositoryGuido Gezellearchief
ID Gezelle Archive5519
Library recordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11831
Content Description
IncipitDingen genoeg om geheel de toogkasse
Text Typebrief
LanguagesNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.