Eerweerde Heer en Meester,
Dingen genoeg om geheel de toogkasse vul te zetten,[1] maar Jufvrouwe scheidt er maar moeilijk af omdat ze peist dat het al zal gepakt of gepluimd worden. ‘K en zou dat ook niet geern hebben achter mijne moeite.
Wat al: een penne[2] waarbij, hoop ik, nog andere kleine zaken zullen komen.
Een groote verzamelinge van bloemen en kruiden met name er bij waaronder een menigvuldige collectie genre Thuja[3] en ‘t zoetste van al: de kruiden uit den duine. de gramineën[4] welke, zoo gij weet, in zijn studiekamerken hingen, zijn bij den onderpastor van Elverdinge.
Zal dat allemale weerekeeren lijk het gezonden is?
Zijn pijpke is weg. Pastoor van Brielen heeft het gezakt.
Wat moet ik nog doen?
Kan er maar iets weggeraken...? Satibleu! Quos ego[5]
U in Christo toegenegen
J.F. Opdedrinck.
P. 17. 7ber 85.







