Denkend dat het toezenden onzer woorden u nog altijd gevallig is, zoo zenden wij er weêr een dikke honderd-en-dertig.
Zij beginnen hier al meer en meer trek in 't zanten te krijgen en omdieswille hopen wij in 't kort weêr een heel getal nieuwe woorden bijeen te hebben. Nu wat anders: - Over tijd kregen wij een’ brief van een Heer[2] die meêdoet aan 't opstellen van "de Student", een jongenstijdschriftje dat gij ieder schoolverlof als "huldebewijs" ontvangt schreef hij ons. Die heer stelde ons dan vóór, dat, wij onze vonsten en aanteekeningen zouden overlaten aan "de Student" die ze dan zou drukken, in 't korte of in 't langere, naardat hij plaats zou hebben. Zóó krijgt Mijnheer Gezelle uwe woorden toch te zijnenst,[3] voegde hij er bij en wat meer is, de jongens van allerlei streken zullen er hunne woorden bijdoen, want wij hoeven maar een woord te zeggen om ze onder 't verlof aan 't zanten te zetten.p2Meteen zullen wij aan de beste zanters op kosten van onze "Student" eene inschrijving op Loquela bezorgen om ze aan te vuren en tevens om Loquela meer en meer te verspreiden.
Dat schreef ons die heer. Wees gij nu zoo goed, eerweerde heer en zeg ons of zijn voorstel u ook aanstaat of niet. Zoo wel, dan zenden wij voortaan onze zangen aan "de Student" die er niets zal overzeggen dan wat hij zeker weet om den Van Deyssel[4] niet uit te hangen en ze voorts ten dienste zal stellen aan u allen, meesters en groote mannen van Vlaanderen en Brabant. Zoo niet, dan blijven wij maar voortdoen wie wij begonnen hebben zoolang als gij 't goedvindt.
Wij hebben onze Loquela’s al hier en Arthuur zendt met eenige dagen de francs en centen op waar de kostelijke Loque-là[5] de onze meê wordt.







