<Resultaat 978 van 2965

>

p1
Geloofd zij Jesus-Christus
Eerweerde Heer en Meester,[1]

Denkend dat het toezenden onzer woorden u nog altijd gevallig is, zoo zenden wij er weêr een dikke honderd-en-dertig.

Zij beginnen hier al meer en meer trek in 't zanten te krijgen en omdieswille hopen wij in 't kort weêr een heel getal nieuwe woorden bijeen te hebben. Nu wat anders: - Over tijd kregen wij een’ brief van een Heer[2] die meêdoet aan 't opstellen van "de Student", een jongenstijdschriftje dat gij ieder schoolverlof als "huldebewijs" ontvangt schreef hij ons. Die heer stelde ons dan vóór, dat, wij onze vonsten en aanteekeningen zouden overlaten aan "de Student" die ze dan zou drukken, in 't korte of in 't langere, naardat hij plaats zou hebben. Zóó krijgt Mijnheer Gezelle uwe woorden toch te zijnenst,[3] voegde hij er bij en wat meer is, de jongens van allerlei streken zullen er hunne woorden bijdoen, want wij hoeven maar een woord te zeggen om ze onder 't verlof aan 't zanten te zetten.p2Meteen zullen wij aan de beste zanters op kosten van onze "Student" eene inschrijving op Loquela bezorgen om ze aan te vuren en tevens om Loquela meer en meer te verspreiden.
Dat schreef ons die heer. Wees gij nu zoo goed, eerweerde heer en zeg ons of zijn voorstel u ook aanstaat of niet. Zoo wel, dan zenden wij voortaan onze zangen aan "de Student" die er niets zal overzeggen dan wat hij zeker weet om den Van Deyssel[4] niet uit te hangen en ze voorts ten dienste zal stellen aan u allen, meesters en groote mannen van Vlaanderen en Brabant. Zoo niet, dan blijven wij maar voortdoen wie wij begonnen hebben zoolang als gij 't goedvindt.
Wij hebben onze Loquela’s al hier en Arthuur zendt met eenige dagen de francs en centen op waar de kostelijke Loque-là[5] de onze meê wordt.

Arthuur groet u hertelijk met al de vlaamsche jongens hier en Lenaerts en ik, wij groeten u ook eerbiedig en genegen.
August Cuppens
Luik 24ste Allerzielenmaand 83.

Noten

[1] Gepubliceerd in A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 “(1910) 4, p. 56-57. Cuppens als inleiding: ”Volgende brief van G.G. handelt over die ”Zanten”-questie” van ”de Student".”
[2] A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 2, p. 56 schrijft Cuppens: ”Was het Aug. Laporta zelf, Julius Bouten, de onwrikbare Standvlaming die nu pastoor is te Ramsel, of de altijd betreurde Gustaf Janssens, al te vroeg gestorven als kanonik der Mechelsche Hoofdkerk en opziener van het onderwijs in ’t Mechelsche? Ik en weet het niet goed meer (...).” Het is uiteindelijk Gustaaf Janssens zelf die in een schrijven van 12/12/1883 aan G. Gezelle laat weten dat hij de Heer in kwestie is.”
[3] Sic. (zijnent)
[4] A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 57 noteerde Cuppens de volgende voetnoot: ”G. G. had onze aandacht getrokken op de eerste ”aanvallen” van L. van Deyssel tegen zijne oude meesters. Hij was altijd tegen alle afbrekerij en moet overigens geleden hebben om die aanvallen van den zoon tegen zijn hooggewaardeerden vader, die, zooals geweten, zeer bevriend was met G. G.”
[5] A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 57 noteerde Cuppens de volgende voetnoot: ”Zóó bejegenden de hevigste Waalsche theologanten, die aan wie ons Vlaamsch pogen de oogen uitstak, het geleerd tijdschriftje dat G. G. toen uitgaf. Ik zie ze nog razen en gooien met de kleine bladjes als zij, 's morgens, op de marbelen vensterbanken van den grooten rondgang, in 't Seminarie, op ons te wachten lagen!”

Loque-là: Vertaling (Frans): vodje-daar.

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamBouten, Julius
Datums° Antwerpen, 15/02/1859 - ✝ Ramsel, 25/02/1912
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor
BioJulius Bouten was leerling van het O.L.V.-College te Antwerpen tot 1879. Hij studeerde te Mechelen eerst filosofie aan het kleinseminarie (1879-1881) en volgde er daarna de priesteropleiding aan het grootseminarie (1881-1895). Hij was lid van de Katholieke Studentenvereniging. Hij ontving zijn priesterwijding op 30 mei 1885. Vervolgens werd hij leraar aan het Sint-Bonifatiuscollege te Elsene van 30 juli 1885 tot 1 januari 1886 en werd er om zijn Vlaamsgezindheid ontslagen. Hij was redactielid van het tijdschrift "De Vlaamsche Keikop". Tenslotte was hij onderpastoor te Hemiksem van 2 januari 1886 tot 4 december 1906 en pastoor te Ramsel van 5 december 1906 tot 25 februari 1912.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamJanssens, Gustaaf Hendrik Jozef
Datums° Mechelen, 23/08/1858 - ✝ Brussel, 30/04/1902
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; auteur; redacteur
BioGustaaf Janssens deed zijn middelbare studies aan het Sint-Romboutscollege te Mechelen, waar hij o.m. les kreeg van Jan Bols. In 1876-77 was hij er medestichter van de ‘jonge Kerelsgilde’ die zich bezighield met letterkundige oefeningen in de volkstaal; ze werd een onderafdeling van ‘De jonge taalvrienden’ van het kleinseminarie van Mechelen. Samen met enkele medeleerlingen probeerde hij de katholieke Vlaamse studenten te groeperen, wat zou leiden tot het in 1890 opgerichte Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS). Als filosofiestudent aan het kleinseminarie van Mechelen (1878-1880) was hij medeoprichter en redacteur van de studentenalmanak "Driesken de Nijper". Dit was de voorloper van "De Student. Tijdschrift voor het Vlaamsche Studentenvolk" (1881-1930), dat hij samen met Frans Drijvers oprichtte tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Mechelen. Als redactielid van "De Student" schreef hij zelf weinig artikelen, maar nam hij het zakelijke beheer van het tijdschrift op zich. Hij voerde de onderhandelingen met de drukker, beheerde de administratie van de abonnees en was verantwoordelijk voor de financiële afhandeling en overige bureautaken. Hij betrok ook Guido Gezelle bij het tijdschrift via de taalkundige rubriek ‘vindekoorn’. Ondertussen sprokkelde hij ook woorden voor Gezelles taalkundig tijdschrift “Loquela”. Janssens werd op 7 jun 1884 tot priester gewijd en op 8 juni vierde hij zijn eerste mis. Op 13 april 1884 begon hij als leraar aan het Sint-Aloysiuscollege van Geel, waar hij onder andere lesgaf in 'Vlaams'. Voor de invulling van deze lessen vroeg hij advies aan Guido Gezelle. Hij bleef er lesgeven tot 14 oktober 1890 en stond er bekend om zijn Vlaamsgezindheid. In 1890 en 1898 werd hij respectievelijk diocesaan inspecteur en hoofdinspecteur van het lager onderwijs. Hij overleed in Brussel op 30 april 1902.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
NaamLaporta, August
Datums° Lier, 29/03/1864 - ✝ Lier, 29/05/1919
GeslachtMannelijk
Beroeparts; redacteur
BioLaporta studeerde van 1875 tot 1881 aan het kleinseminarie van Hoogstraten. Daar speelde hij een belangrijke rol in de studentenbeweging van het aartsbisdom Mechelen. Zo werd hij redacteur van het studententijdschrift De Student in 1882 en bleef dit tot 1914. Hij volgde geneeskunde in Leuven en studeerde af in februari 1889. Daar was hij ook actief in de Vlaamse studentenbeweging. Zo was hij lid van het Geneeskundig Genootschap, bestuurslid van Met Tijd en Vlijt (1884-1889), medeoprichter (1886) en voorzitter (1888) van de Vlaamsche Strijdersbond en medewerker van het studententijdschrift Ons Leven (1888). Hij sprak ook geregeld op de studentenland- en -gouwdagen in het aartsbisdom Mechelen. Na zijn studies werd hij huisarts te Lier, maar hij bleef actief binnen de studentenbeweging. Zo was hij in 1890 medestichter en later voorzitter van het Katholiek Vlaamsch Studentenverbond, was hij betrokken bij de heroprichting van de Antwerps-Brabantse gouwbond (1895) en de oprichting van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (1903).
Relatie tot Gezellecorrespondent; studentenbeweging
Bronnen http://theater.ua.ac.be/nevb/html/Laporta,%20August.html
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik (in Verviers, maar ook in Laar in Vlaams-Brabant, Halen in Limburg, onderpastoor in Luik, Sint-Gillis, pastoor (07/1888) en te As in Limburg (08/1897).
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
Naamvan Deyssel, Lodewijk; Karel Johan Lodewijk Alberdingk Thijm
Datums° Amsterdam, 22/09/1864 - ✝ Haarlem, 26/01/1952
GeslachtMannelijk
Beroepschrijver
VerblijfplaatsNederland
BioLodewijk van Deyssel, pseudoniem van Karel Johan Lodewijk Alberdingk Thijm, was de zoon van Jozef Alberdingk Thijm. Hij kreeg zijn opleiding in het gymnasium te Rolduc, later te Katwijk-Binnen. Van 1885 tot 1894 was hij medewerker aan De Nieuwe Gids en behoorde hij tot de Beweging van Tachtig. Onder het pseudoniem Lodewijk van Deyssel verscheen zijn eerste roman Een Liefde (1887), duidelijk onder de invloed van Zola en het naturalisme. Daarna kwam de tijd van zijn impressionistisch proza en parodiërende geschriften (zijn zgn. scheldkritieken). In 1911 verscheen het dagboek Uit het leven van Frank Rozelaar, waaruit blijkt dat de vurige naturalist een bedaard man geworden was.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezelle)

Naam - plaats

NaamLuik

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelDe Student: tijdschrift voor het Vlaamsch Studentenvolk (periodiek)
AuteurJanssen, Gustaaf; Laporta, August (red.) e.a
Datum1881-1930
PlaatsLeuven; Lier; Brussel; Laken
Uitgever[s.n.]
Links[odis]

Titel24/11/1883, Luik, August Cuppens en [Leonard Willem Jakob Lenaerts] aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen, Cuppens August en Lenaerts Leonard Willem Jakob aan Gezelle Guido, Luik, 24/11/1883. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Verzender[Lenaerts, Leonard Willem Jakob]
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum24/11/1883
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieBriefversie van datering: 24sten Allerzielenmaand 83 ; adressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens; tweede adressant gereconstrueerd op basis van de publicatie: volgens publicatie schreef Cuppens de brief samen met L. Lenaerts: "een volgende brief, die wij, J. L. en ik naar G. G. schreven in November 1883 en waar wij 't achterstaande antwoord op ontvingen."
Gepubliceerd inDe eerste “’t Daghetjongens“ en Guido Gezelle. / door August Cuppens. - In: ‘t Daghet in den Oosten. - Jrg. 26 (1910) nr.4, p.56
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 136 mm
papier, wit, vierkant geruit
papiersoort: 2 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden briefpapier: kruisteken, met kroon en leeuw op schild, en met bijhorende spreuk, alles blauw gedrukt: Geloofd zij Jezus Christus
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5370
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11681
Inhoud
IncipitDenkend dat het toezenden onzer
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.