Ge zoudt bijkans niet kunnen gelooven hoe danig uw wijze en moedgevende brief ons heeft verblijd en hoe hij heeft rondgereisd onder de oogen van al wat hier maar iet of wat aan zijn taal houdt. Hertelijk en welgemeend zijt gij van ons allen bedankt die u beloven dat zij de moed niet gauw in hun schoenen zullen laten zakken.
Wij zullen ons dan eens sterk en voor goed aan 't woorden rapen zetten; allewijl en gaat dat zoo schouw[3] goed nog niet, maar onder 't verlof kunnen wij bij de oude pekes en mekes thuis gaan kazelen[4] en kallen[5] zooveel wij ‘t goedvinden en zóó een goede dikke zang oesten, bijzonder daar verschillige dutsche kameraden er hen ook zullen meê bezig houden.
Na 't verlof hebben wij dan onze zangen te dorschen en te wannen.[6]
Engelsch hebben wij al een heelen tijd lang geleerd, zoodat wij, als 't nuttig is, binnen kort al te lichtelijk aan 't Angelsaksisch zullen mogen beginnen. - Wij zullen dan de verzamelde woorden zóó op schrijven wie ge gezeid hebt. Versta ik het krek,[7] dan zullen er 16 woorden op twee blaâr papier staan en zóó bijv 8 woorden met a op 't eerste blad, en weêr acht met b op 't tweede enz.
Ge zegt ook in uwen brief dat wij Limburgsch p2 zouden schrijven. Goed, maar dat is nog zoo gemakkelijk niet. Schrijven en schrijven is twee! Limburgsche woorden er in smakken[8] dat zullen wij wel, maar zoodanig schrijven dat zij seffens hooren dat het uit Limburg komt!
Zouden wij bijv de ij = î mogen schrijven, zóó zouden wî schrîven meugen op 't papier zetten in de plak van die leelijke ij?
Zouden wij mogen zetten, zuutekes aan, het kindeken zîn vutekes enz in plaats van zoetjes aan?
Zouden wij I(ch) mi(ch) di(ch) u(ch) meugen zeggen? En eindelijk of eindelik (?), hoe zullen wij, beginnende jongens, toch komen te kennen welke woorden zuiver en gangbaar Vlaamsch zijn? -
Nog Wat over moorrup[9] een duitscher of eêrder een Belg van de grenzen heeft mij doen weten dat men te zijnenst moothöffer = mot-heffer zegt voor mol en in 't hoogduitsch: maulwürf.[10] Dat zou even zoo redelijk zijn als moorrup, niewaar?
Wij hebben Limburgers en Walen uitgevraagd voor 't woord arlêm of arlám: Nieverants en hebben wij iets anders gevonden dan 't woord alärm voor: huisruzie of wel in: ‘t luidt alärm.- (Beering, Zonhoven enz)
te Beeringen zeggen zij voor mook[11] moek, maar 't woordt[12] beteekent daar wat anders als maag. 1° de darm of zak waar de uitwerpsels van een beest inzitten 2° Pens van een koe bijv. Zoo heeft men te Beeringen de moek eener koe en de keuningskop[13] of de kleinere zak die aan de moek hangt, geloof ik.
Ik zet hier een stuksken verzen van Mr Lenaerts achter, om u eens laten te oordeelen of dat al redelijk Limburgsch zijn zou. p3
Bloeide een blom - en liet heur blad
En heur' groote witte kellik
Zuutekes golvelen op het nat.
"Kik! Waarveur, zoo zei een schaapke
gees du daar in "t graafke staan?
In het water, - lieflik blommeke,
Kiekt dich immers niemand aan!
Kom hier op de groeze[14] bloeien
Waar de wind dich wiegewaait = aait”
En het bieke mit zin vlerkjes
Heel den dag din kelksken aait”
-”Neen, mijn vrindje, sprak dat blommeke,
Ik sta goed hier in dit vocht -
Vindt min wortel hier gin voedsel
En min blad gin frisse locht?
Op de groeze spelen schaapkes,
Die gaan peuzelen aan min blâren,
En in al hun vroolik huppelen
Zelfs min kellik niet en sparen"
______
En dit:
Ten Hîmel, lief en licht
Zoo zoetekes lachen terend,
En de onschuld op zîn gezicht.
Die kleppert, blî te moed
Door 't blauw der locht, zoo rees het,
Dat vroolik zieleke zoet.
Dat god al bî Hem nam
Tot lust van zîne heiligen
Toen 't uit de doopvont kwam
xx
x
p4
'k Zag nog een ziele klimmen Ten Hîmel, sterk en groot, En 't was een manneziele Die opvloog uit den nood, Het merk van strîd en stormen Op veurhoofd en op kroon, En tranen van berouw nog Op heure rouwe koon.[16] Heur klonk zoo jubelend tegen De groet van 't Hîmeldiet:[17] Het machtig galmen terend En grootsche zegelied.... xx x En 'k dacht, ik zal wie de eerste Och arme! niet rîzen, God, Maar, klimme 'k eens wie die tweede U dankend voor dat lot.[18] | x Liedeken, op de wijze: Het was een Herder vroegh op-gestaen (op de onnozele kinderen) Martelaerkens weest gegroet/ Die Herodes heel verwoet/ Als bloemkens te vroegh gepluckt Uyt u jonck leven heeft geruckt. Even zoo d'opgaende Roos Vroegh verliest haer schoone bloos Als zij door te windigh weer strunckelt[19] van haer steeltjen neer. Gij zijt de eerste offerandt/ Die aen Christus zijt geplant/ En onnosel met u kroon Speelt voor Godts verheven throon. Lof zij Vader/ Soon en Geest/ Die u droegh uyt dit tempeest/ Van dees werelts woeste zee Heeft gebrocht in d'hemels ree. |
Arthur komt mij daar zeggen dat hij niets heeft kunnen vinden over de gevraagde woorden.
P.S: Ik heb hier drij oude boeken liggen / 1e De kleyne christelycke Academie, dat is de oeffen-plaetse der geleerdheydt, vergadert door JB. V. L. P. op-gedraegen aen het minnelijck kindeken Jesus, den leeraer en minnaer, den loonder en kroonder der catholycke jonckheydt Approbatie 1718[20] 2e Den Spieghel der Jonckheyt, dienende voor alle Jonckheydt / d'eerbaerheydt ende deught beminnende tot eenen Spieghel enz ... Rethoryckelyck ghemaeckt bij H.A. - t’ Antwerpen bij Hieronymus Verdussen / op de groote merckt in Sinte Augustinus (geen jaartal). 't Zijn verzen, maar 't boek is niet volledig. Onder letterkundig opzicht geen vets[21] weerd. 3e Korte ende geluckige Reyse van Broeder Jan vander Linden naer 't heilygh Lant.[22] ook niet volledig. Daar staat kerkzang in vertaald, onder andere stukjes dit hierboven x dat er lief uitziet. Zoo gij trek zoudt hebben in die oude klommels[23] voor dit of voor dat, zend ik ze seffens op. A.C.







