<Resultaat 931 van 2965

>

p1Laudetur Jesus Christus[1]
Eerweerde Heer en Meester,[2]

Ge zoudt bijkans niet kunnen gelooven hoe danig uw wijze en moedgevende brief ons heeft verblijd en hoe hij heeft rondgereisd onder de oogen van al wat hier maar iet of wat aan zijn taal houdt. Hertelijk en welgemeend zijt gij van ons allen bedankt die u beloven dat zij de moed niet gauw in hun schoenen zullen laten zakken.

Wij zullen ons dan eens sterk en voor goed aan 't woorden rapen zetten; allewijl en gaat dat zoo schouw[3] goed nog niet, maar onder 't verlof kunnen wij bij de oude pekes en mekes thuis gaan kazelen[4] en kallen[5] zooveel wij ‘t goedvinden en zóó een goede dikke zang oesten, bijzonder daar verschillige dutsche kameraden er hen ook zullen meê bezig houden.

Na 't verlof hebben wij dan onze zangen te dorschen en te wannen.[6]

Engelsch hebben wij al een heelen tijd lang geleerd, zoodat wij, als 't nuttig is, binnen kort al te lichtelijk aan 't Angelsaksisch zullen mogen beginnen. - Wij zullen dan de verzamelde woorden zóó op schrijven wie ge gezeid hebt. Versta ik het krek,[7] dan zullen er 16 woorden op twee blaâr papier staan en zóó bijv 8 woorden met a op 't eerste blad, en weêr acht met b op 't tweede enz.

Ge zegt ook in uwen brief dat wij Limburgsch p2 zouden schrijven. Goed, maar dat is nog zoo gemakkelijk niet. Schrijven en schrijven is twee! Limburgsche woorden er in smakken[8] dat zullen wij wel, maar zoodanig schrijven dat zij seffens hooren dat het uit Limburg komt!

Zouden wij bijv de ij = î mogen schrijven, zóó zouden wî schrîven meugen op 't papier zetten in de plak van die leelijke ij?

Zouden wij mogen zetten, zuutekes aan, het kindeken zîn vutekes enz in plaats van zoetjes aan?

Zouden wij I(ch) mi(ch) di(ch) u(ch) meugen zeggen? En eindelijk of eindelik (?), hoe zullen wij, beginnende jongens, toch komen te kennen welke woorden zuiver en gangbaar Vlaamsch zijn? -

Nog Wat over moorrup[9] een duitscher of eêrder een Belg van de grenzen heeft mij doen weten dat men te zijnenst moothöffer = mot-heffer zegt voor mol en in 't hoogduitsch: maulwürf.[10] Dat zou even zoo redelijk zijn als moorrup, niewaar?

Wij hebben Limburgers en Walen uitgevraagd voor 't woord arlêm of arlám: Nieverants en hebben wij iets anders gevonden dan 't woord alärm voor: huisruzie of wel in: ‘t luidt alärm.- (Beering, Zonhoven enz)

te Beeringen zeggen zij voor mook[11] moek, maar 't woordt[12] beteekent daar wat anders als maag. 1° de darm of zak waar de uitwerpsels van een beest inzitten 2° Pens van een koe bijv. Zoo heeft men te Beeringen de moek eener koe en de keuningskop[13] of de kleinere zak die aan de moek hangt, geloof ik.

Ik zet hier een stuksken verzen van Mr Lenaerts achter, om u eens laten te oordeelen of dat al redelijk Limburgsch zijn zou. p3

Van een slum waterblommeken.

Middel in een droomend graafken
Bloeide een blom - en liet heur blad
En heur' groote witte kellik
Zuutekes golvelen op het nat.
"Kik! Waarveur, zoo zei een schaapke
gees du daar in "t graafke staan?
In het water, - lieflik blommeke,
Kiekt dich immers niemand aan!
Kom hier op de groeze[14] bloeien
Waar de wind dich wiegewaait = aait”
En het bieke mit zin vlerkjes
Heel den dag din kelksken aait”
-”Neen, mijn vrindje, sprak dat blommeke,
Ik sta goed hier in dit vocht -
Vindt min wortel hier gin voedsel
En min blad gin frisse locht?
Op de groeze spelen schaapkes,
Die gaan peuzelen aan min blâren,
En in al hun vroolik huppelen
Zelfs min kellik niet en sparen"
______

En dit:

Van twee Zielen [15]

Ik zag een zieleke rîzen
Ten Hîmel, lief en licht
Zoo zoetekes lachen terend,
En de onschuld op zîn gezicht.

Gelîk een witte duive
Die kleppert, blî te moed
Door 't blauw der locht, zoo rees het,
Dat vroolik zieleke zoet.

Het was een kinderzieleke,
Dat god al bî Hem nam
Tot lust van zîne heiligen
Toen 't uit de doopvont kwam
xx
x


p4

'k Zag nog een ziele klimmen
Ten Hîmel, sterk en groot,
En 't was een manneziele
Die opvloog uit den nood,

Het merk van strîd en stormen
Op veurhoofd en op kroon,
En tranen van berouw nog
Op heure rouwe koon.[16]

Heur klonk zoo jubelend tegen
De groet van 't Hîmeldiet:[17]
Het machtig galmen terend
En grootsche zegelied....
xx
x

En 'k dacht, ik zal wie de eerste
Och arme! niet rîzen, God,
Maar, klimme 'k eens wie die tweede
U dankend voor dat lot.[18]

x
Liedeken, op de wijze: Het was
een Herder vroegh op-gestaen

(op de onnozele kinderen)

Martelaerkens weest gegroet/
Die Herodes heel verwoet/
Als bloemkens te vroegh gepluckt
Uyt u jonck leven heeft geruckt.

Even zoo d'opgaende Roos
Vroegh verliest haer schoone bloos
Als zij door te windigh weer
strunckelt[19] van haer steeltjen neer.

Gij zijt de eerste offerandt/
Die aen Christus zijt geplant/
En onnosel met u kroon
Speelt voor Godts verheven throon.

Lof zij Vader/ Soon en Geest/
Die u droegh uyt dit tempeest/
Van dees werelts woeste zee
Heeft gebrocht in d'hemels ree.

Arthur komt mij daar zeggen dat hij niets heeft kunnen vinden over de gevraagde woorden.

Dus moet ik den brief sluiten, u hertelijk groetend in Christo, Eerweerde heer en meester.
August Cuppens
Luik, 22st Juni 1883.

P.S: Ik heb hier drij oude boeken liggen / 1e De kleyne christelycke Academie, dat is de oeffen-plaetse der geleerdheydt, vergadert door JB. V. L. P. op-gedraegen aen het minnelijck kindeken Jesus, den leeraer en minnaer, den loonder en kroonder der catholycke jonckheydt Approbatie 1718[20] 2e Den Spieghel der Jonckheyt, dienende voor alle Jonckheydt / d'eerbaerheydt ende deught beminnende tot eenen Spieghel enz ... Rethoryckelyck ghemaeckt bij H.A. - t’ Antwerpen bij Hieronymus Verdussen / op de groote merckt in Sinte Augustinus (geen jaartal). 't Zijn verzen, maar 't boek is niet volledig. Onder letterkundig opzicht geen vets[21] weerd. 3e Korte ende geluckige Reyse van Broeder Jan vander Linden naer 't heilygh Lant.[22] ook niet volledig. Daar staat kerkzang in vertaald, onder andere stukjes dit hierboven x dat er lief uitziet. Zoo gij trek zoudt hebben in die oude klommels[23] voor dit of voor dat, zend ik ze seffens op. A.C.

Noten

[1] Vertaling (Latijn): Geloofd zij Jezus Christus.
[2] Gepubliceerd in A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 49-53. Cuppens noteerde in voetnoot: ”Antwoord op G.G.’s eersten brief. Zijn antwoord op dezen brief en eenige andere zijn - en ’t is eeuwig spijt! - verloren geraakt.”
[3] Dialect voor ’bijzonder’, dus dat gaat niet bijzonder, niet erg goed.
[4] Gezellig babbelen.
[5] Babbelen, praten.
[6] Zang = bundeltje of handvol aren, na de eigenlijke oogst op het veld bijeengeraapt en al dan niet samengebonden. Wannen = kaf van koren scheiden.

De betekenis is figuurlijk: “Na 't verlof moeten we dan onze woordenoogst uitselecteren”.

[7] juist
[8] MNW 1250-1550: ”Smac()ken: Eig. slaan met een daarmede gepaard gaand geluid, met een klap (vgl. eng. to smack, “met de zweep klappen”); vervolgens smijten (dat ook eigenlijk “slaan” beteekent), hoorbaar werpen.”
[9] A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 50 noteerde Cuppens de volgende voetnoot: “Dit w. werd door C. L. gezet op het woordenlijstje dat wij G. G. zonden, verwekte veel zoekens en veel schrijvens tusschen G. G. en zijne nieuwe leerlingen. Doch zijne brieven zijn verloren; onze brieven, en, onze minste prullekes en papierlingskes heeft de goeden man bewaard als heiligdom!”

G. Gezelle, Mollepooi, molleplooi, molleprooi. In: Loquela: 12 (Oostermaand 1886) 5, p. 94: “(...) Moldewerp, moudewerp, (Hoffmann v. F.'s Glossarium Belgicum), molworp (Richey, Kiliaen, Ten Kate, en an), ijslandsch moldwarpa; eng. (Shakspeare) (sic), moldwarp, (Wyclif) moldwerp; limburgsch moollup, moorrup, mollup, molp (...) Dit schoon oud w., dat wij zoo deerlijk ingekort en gebloksteert hebben, beteekent dus eigentlijk het molle werpende, het losse eerde opstekende dier.”

[10] G. Gezelle, Mollepooi, molleplooi, molleprooi. In: Loquela: 12 (Oostermaand 1886) 5, p. 94: ”De hoogduitschen alleen hebben mullworp, hun oud en echt volkswoord, in den ban gedaan, om in zijne stede een wanduitsche maulwurff (muilwerp) als beschaafde heerentale (voor altijd?) te aanveerden.”
[11] WNT 1500-heden: ”In Z.-N. bekend als naam voor de eerste maag van herkauwende dieren, ook wel voor pens of buik in ruimeren zin, ook van een mensch.”

In zijn antwoordbrief aan A. Cuppens vraagt G. Gezelle: ”Is peddemook puiderek, ova etc. ranarum."

[12] Sic.
[13] C. Kiliaan, Etymologicum Teutonicae Linguae (ed. F. Claes s.j.). Den Haag: Mouron, 1972, p. 252: ”Koninghs-hoofd: Ventriculi bubuli pars posterior.” Vertaling (Latijn): het achterste deel van de maag van een koe (= lebmaag).
[14] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p. 137-138: ”Groeze, of was ’croissance‘ (Lambrecht), groese, groeyssel ’groeikracht‘, groese, groense ’grasperk’ (Kiliaan)."
[15] Gepubliceerd in A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens” en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 51. Cuppens noteerde in voetnoot: ”Dit versje kwam later, in minder Limburgsch (!) getinte vorm in mijn Verzekens.”
[16] Rouwe koon = rode wang.
[17] Diet = volk, lieden, in het algemeen lat. populus, gens.
[18] Hieronder staat een afscheidend krulletje.
[19] Strunckelen = strunkelen, stronkelen, struikelen, vallen.
[20] Hendrik Jozef van Susteren (Amsterdam, 22 juli 1668 - Brugge, 24 februari 1742) gaf in 1718 zijn approbatie of imprimatur om dit schoolhandboek voor leerlingen te drukken. Het boek is ontelbare keren herdrukt en heeft hele generaties leerlingen leren lezen en katholiek gevormd.
[21] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p. 426: ”Vets, vetsem, zn.: vezel, rafel. Ook geen vets ’geen lor, geen snars’.” Dus: waardeloos in letterkundig opzicht.
[22] Op iedere linkerpagina van het werk staat de titel ‘Korte en geluckige Reyse’ afgedrukt, terwijl het titelblad een afwijkende titel vermeldt. Vermoedelijk ontbrak dit titelblad in het onvolledige exemplaar dat Cuppens ter beschikking had. Het door hem overgeschreven lied is aanwezig in het tweede deel. In de Erfgoedbibliotheek Conscience is er exemplaar beschikbaar van 1633 (nr.718977:1 C2-558 d). Het liedje staat in dl. 2, op p. 24 dat over de terugreis gaat: Het wederkeren of tweede deel van de Heerlyke ende gelukkige reyze naer het heylig land ende stad van Jeruzalem . De tekst wijkt echter af van de door Cuppens overgeschreven versie; zo leest men hier ‘Herders’ in plaats van ‘Herodes’, en wordt consequent een eind-g gebruikt waar Cuppens een eind-gh noteerde. Cuppens beschikte over een andere uitgave.
[23] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p.196: ”Klommel, knommel, zn.: prul, lor, waardeloos ding, versleten kledingsstuk.”

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden), Membruggen en Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.)
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik (in Verviers, maar ook in Laar in Vlaams-Brabant, Halen in Limburg, onderpastoor in Luik, Sint-Gillis, pastoor (07/1888) en te As in Limburg (08/1897).
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten

Naam - plaats

NaamBeringen
GemeenteBeringen
NaamZonhoven
GemeenteZonhoven
NaamLuik

Titel - ander werk

TitelDe klyne christelyke academie, dat is: de oeffenplaets der geleerdheyd bekwaem om de kinderen te oeffenen in de christelyke deugden: vergaderd door J.B.V.L.P. Opgedraegen aen het minnelyk kindeken Jesus, den leeraer en minnaer, den loonder en kroonder der katholyke jongheyd: gedrukt met toestemminge van Syne Doorluchtigste Hoogweerdigheyd Petrus Josephus biscop van Antwerpen [...]
Auteurvan Lokeren, Joannes Baptist
Datuminter [1787-1813]
PlaatsAntwerpen
UitgeverJoannes Norbertus Vinck
TitelDen spieghel der jonckheyt. Dienende voor alle jonckheydt, d'eerbaerheydt ende deught beminnende tot eenen spiegel [...] Rethorijk gemaekt by H. A. Van nieuws overzien ende verbetert
AuteurAerts von Boxtel, Hendrick
Datum[1675]
PlaatsAntwerpen
UitgeverHieronymus Verdussen
TitelHeerlyke ende gelukkige reyze naer het heylig land ende stad van Jeruzalem / beschreven en bereyst door broeder Jan vander Linden [...] in 't jaer ons Heere 1633. [2 dln]
AuteurVander Linden, Jan
Datum[1650-1750?]
PlaatsAntwerpen
UitgeverHieronymus Verdussen
TitelVerzekens
AuteurCuppens, August
Datum[1899]
PlaatsGent
UitgeverSiffer

Titel22/06/1883, Luik, August Cuppens aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Luik, 22/06/1883. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum22/06/1883
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Gepubliceerd inDe eerste “’t Daghetjongens“ en Guido Gezelle. / door August Cuppens. - In: ‘t Daghet in den Oosten. - Jrg. 26 (1910) nr.4, p.49-53
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5342
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11651
Inhoud
IncipitGe zoudt bijkans niet kunnen gelooven hoe
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.