<Hit 722 of 2965

>

p1+
Eerweerde Heer en Vriend,

Reeds had ik gezeid dat die wildemans[1] te hermaken waren:

1. St. Maartens[2]

2. Beggijnhof[3]

3. O. L. V.[4]

4. Kasteel[5]

5. Kanoninkpoorte[6]

6. Steenpoorte[7]

7. Waterpoorte[8]

8. Hooge vijver[9]

9. Nieuw groeninghe (nu arme Claren)[10]

10. olim Capucinessen 1° dat is voòr 't jaar .…?[11]

11. St. Amand.[12]

12. Refugie Wevelghem (nu Paulinen)[13]

13. St Eloy[14]

14. Halle[15]

15. Oud Groeninghe nu Reyntjens kasteel[16]

16. Olim capelle gulden Spooren, vernield anno....? [17]

17. OL.V. ten Olm buiten.[18]

18. id. binnen.[19]p219. plaatsen waar Vaubans vesting nog open ligt[20]

20. Broeltorren,[21] gebouwd anno ...

21. Olim Capucinessen 2°[22]

22. Gentpoorte olim.[23]

23. putten met lijken (St. Nikl. Hospitaal)[24]

24. putten met lijken.[25]

25. een gewapende man uitgedolven.[26]

26. plein, Esplanade van Vauban – middenpunt van den Groeninghe-kouter en van den strijd en de ronduite[27]

27. overblijfsels van een torre der aloude verschansing[28]

28. 't Hoogklooster (Carmelitessen) sedert ….[29]

29. St. Rochus Kerke[30] (

30. tegenwoordige statie ijzerweg.[31]

31. Kapelle ten putten. Quid hoc?[32]

32. Kapelle ten Bloede[33]

33. Madeleenekapelle. sedert anno ....[34]

34. Het Fort - quid hoc in 1302?[35]

35. St Joorispark.[36]

36. Het Hospitaal (sedert ….?)[37]p3Ik ben uwe antwoorde verwachtende – en zeg erbij wat gij wilt zeggen met: Zend mijn 2 doodsanctjes terug.[38] k En versta dat niet.

't En gaat niet met mijn vader. Bid voor hem.[39]

Uw toegenegene
Ad. Duclos.

Annotations

[1] Adolf Duclos verwijst naar de slecht uitgevoerde proefdruk van zijn kaart van ’Kortrijk en omstreken omtrent 1302‘, ingevoegd na p. 294 van Duclos‘ werk Onze helden van 1302, Brugge: De Zuttere-Van Kersschaver 1880 (tekst)- prenten (1881). In het addendum met notities bij de ’printen‘ wordt deze legende opgenomen en bedankt hij Guido Gezelle en secretaris Brinck voor hun hulp bij het opstellen ervan. Een detail uit dezelfde kaart wordt ook gebruikt om de verschillende fasen van de Guldensporenslag schematisch weer te geven (p.315).
[2] Sint-Maartenskerk (Kortrijk).
[3] Het Sint-Elisabethbegijnhof dateert van de eerste helft van de dertiende eeuw en was oorspronkelijk gewijd aan de Heilige Catharina. Het werd een aantal keer verwoest en telkens heropgebouwd.
[4] Onze-Lieve-Vrouwekerk (Kortrijk).
[5] Hiermee wordt het zogenaamde ’oud kasteel‘ bedoeld, dat een rol speelde in de Guldensporenslag. Kortrijk had tot 1382 een grafelijke burcht binnen de stadswallen, die afwisselend in Vlaamse en Franse handen was. Na de Slag bij Westrozebeke leed hij forse schade door plundering. Met de stenen ervan liet hertog Filips de Stoute een nieuw kasteel bouwen elders in Kortrijk (1394). De geschiedenis van deze kastelen werd door Guido Gezelle behandeld tijdens een lezing voor de Cercle Pie IX op 13 oktober 1876.
[6] De kannunikpoort heette eerst de Grusenbergpoort. Nog eerder zou daar volgens Adolf Duclos misschien een waterpoortje geweest zijn dat rechtstreeks toegang gaf tot het kasteel. Deze poort werd in 1684 afgebroken.
[7] De Steenpoort is en voormalige stadspoort van Kortrijk, die deel uitmaakte van de oostelijke stadsomwalling, waar de weg naar Gent doorliep. Ze werd vóór 1677 afgebroken. Nu ligt daar een winkelwandelstraat met dezelfde naam.
[8] De Waterpoort maakte deel uit van de oostelijke stadsomwalling van Kortrijk. Ze bestond nog niet in 1302.
[9] De vijver was de naam voor de stadswal langs de oude versterkingswerken. Hij bestond uit een hoog stuk en een laag stuk, verbonden met een sluis (spui of spei).
[10] De Groeningeabdij is een vrouwelijke cisterciënzerabdij in Kortrijk, gesticht in de 13de eeuw (zie punt 15 in de lijst). Tijdens de godsdienstoorlogen in de 16de eeuw werd uitgeweken naar nieuwe gebouwen binnen de stadswallen (Nieuw Groeninghe). De abdij werd opgeheven in de Franse tijd, vervolgens opgesplitst en deels gesloopt. Vanaf 1845 vestigden de zusters Arme Klaren zich in de resterende gebouwen van de oude abdijkern.
[11] Deze locatie komt niet meer voor op de gedrukte versie. Het kapucinessenklooster van Kortrijk, opgericht in 1627, stond aanvankelijk op de locatie van het Plein. In 1667 moesten de kapucinessen verhuizen door de aanleg van een oefenplein voor het Franse garnizoen, dat later het Plein werd. Met ”olim” wordt de oorspronkelijke locatie bedoeld.
[12] Proosdij van Sint-Amands. Vanaf de 12de eeuw stuurde de benedictijnenabdij van Elnone (Saint-Amand-Les-Eaux, Noord-Frankrijk) een proost naar Kortrijk om haar Vlaamse bezittingen te beheren. De proost woonde in een kleine proosdij bij een kapel gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw of Sint-Amandus. Eeuwenlang had de proosdij slechts een administratieve functie en werd ze bewoond door één of twee monniken.

Vanaf de 17de eeuw groeide de gemeenschap, maar toch werd ze nooit een stabiel klooster. De proosdij bleef bestaan tot haar opheffing tijdens het Franse bewind. In de 19de eeuw werd een deel van de gebouwen omgevormd tot het Sint-Amandscollege.

[13] Refugiehuis binnen de Kortrijkse stadsmuren van de zusters van de Abdij van Guldenberg uit Wevelgem. Op 1 september 1796 werd de abdij opgeheven. In 1824 kon de Congregatie van de Zusters Paulinen met steun van weldoeners het pand aankopen om er meisjesonderwijs in te richten.
[14] Hiermee wordt een site bedoeld in de Kortrijkse voorwijk Overleie. In 1308 werd daar een passantenhuis gesticht door de broeders van Sint-Elooi. Rond 1500 werd er een kapel gebouwd, die bleef staan tot ze in 1882 plaats moest maken voor de Sint-Elooiskerk.
[15] De oudste vermelding van een lakenhalle in Kortrijk gaat terug tot 1248 (Duclos dateert ”voor 1307”). Het gebouw bestond uit een hal waar handel gedreven werd en een halletoren (belfort), die bewaard bleef.
[16] De oude Groeningeabdij is een vrouwelijke cisterciënzerabdij in Kortrijk, gesticht in de 13de eeuw. Tijdens de godsdienstoorlogen werd in de 16de eeuw uitgeweken naar nieuwe gebouwen binnen de stadswallen (zie item 9 in de lijst). Het oorspronkelijke terrein, net buiten de Gentse Poort behoorde in de negentiende eeuw toe aan notaris Reyntjens-Van Beveren, die er een landgoed had.
[17] Adolf Duclos vermeldt dat op het slagveld van Groeninge kort daarna een kapelletje van dankbaarheid werd gebouwd. In 1832 werd in dezelfde omgeving door Félix Eduard Dujardin een kleine zeshoekige veldkapel opgericht ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Groeninge, aan het einde van de Groeninghestraat, bij de oude Gentpoort. In het dak plaatste men een van de gulden sporen. De kapel werd beschreven door Hendrik Conscience en Prudens Van Duyse.
[18] Plaats waar de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Olm gebouwd werd in 1683 binnen de stad, ongeveer op de plaats waar nu de Sint-Antoniuskerk staat. Ze werd op het einde van de achttiende eeuw afgebroken. Gezelle schreef er een artikel over in De Vrijheid op 13 juni 1874 naar aanleiding van de inhuldiging van de kerk.
[19] Plaats waar de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Olm gebouwd werd in 1683 binnen de stad, ongeveer op de plaats waar nu de Sint-Antoniuskerk staat. Ze werd op het einde van de achttiende eeuw afgebroken. Gezelle schreef er een artikel over in De Vrijheid op 13 juni 1874 naar aanleiding van de inhuldiging van de kerk.
[20] Deze locatie komt niet meer voor in de uiteindelijke gedrukte kaart. Verwijzing naar de negentiende-eeuwse restanten van de Vaubanversterking van Kortrijk. Onder leiding van Vauban hadden de Fransen de afgebroken versterkingen gedeeltelijk opnieuw opgebouwd tussen 1692 en 1697, vooral op het Buda-eiland. In 1782 werden de versterkingen definitief afgeschaft en verkocht.
[21] Hier meervoud voor beide Broeltorens, op de gedrukte versie apart vermeld. Deze torens zijn de laatste resten van de middeleeuwse stadsvestingen. De noordelijke toren, de ‘Ingelborchtoren’ (ca. 1413), werd opgetrokken om de stad te verdedigen met vroeg artilleriegeschut. De zuidelijke toren, de ‘Speyetoren’ (ca. 1385), maakte deel uit van de versterkte omheining van het grafelijk kasteel.
[22] Deze locatie komt niet meer voor op de gedrukte versie. In 1667 moesten het kapucinessenklooster verhuizen door de aanleg van een oefenplein voor het Franse garnizoen. De tweede vestigingsplaats lag op de plek waar sinds 1909 de stadsschouwburg staat. Dat klooster bestond van 1668 tot de sluiting door keizer Jozef II in 1785.
[23] Deze locatie viel weg in de gedrukte versie, wellicht omwille van de verwarring met de middeleeuwse stadspoorten enerzijds en anderzijds de negentiende-eeuwse uitbreidingen aan de Gentse Poort. Met de Latijnse term ”olim” (vertaling ”vroeger”) probeerde Duclos het onderscheid te maken.
[24] Het Sint-Niklaashospitaal bestond reeds voor 1357 (1359 volgens Duclos), datum van de oudst bekende akte waarin ze vermeld staat. Vermoedelijk werd dit gasthuis in de 14de eeuw ingericht door de broederschap van Sint-Niklaas, die er passanten en pelgrims onthaalde. In 1362 werd de stichting uitgebreid met een klooster. Na de Franse tijd werd er door de zusters een kostschool voor meisjes gehouden, aangevuld met een gebouw voor de opvang van weeskinderen. In de twintigste eeuw evolueerde de functie naar verpleegsterschool, ziekenhuis en uiteindelijk woonzorgcentrum.
[25] Beschrijving van archeologische vondsten.
[26] Beschrijving van archeologische vondsten nabij de Groeningeabdij. In 1871 had men bij graafwerken voor een vijver op het landgoed van Notaris Reyntjes menselijke resten gevonden van wat men beschouwde als gevallen strijders.
[27] Het Plein is een stadspark en plein in Kortrijk, dat ontstaan is als militair oefenterrein binnen de 17de-eeuwse citadel. In de middeleeuwen lag daar de Groeningekouter. In een brief aan Frans De Potter d.d. 01.05.1874 verklaart Gezelle ”ronduite” als een verbastering van ”redoute”, nl. een vierhoekige, gesloten verdedigingswerk achter een aarden wal.
[28] Beschrijving van een ruïne van een middeleeuwse versterkte uitkijk- en verdedigingstoren.
[29] Deze locatie komt niet meer voor op het gedrukte plan. Het Hoogklooster van de Ongeschoeide Karmelietessen is gelegen tussen de Grote Kring en Lange Brugstraat en dateert van het midden van de zeventiende eeuw.
[30] De neogotische Sint-Rochuskerk werd tussen 1863 en 1870 gebouwd in de Doorniksewijk ten zuiden van Kortrijk. Deze plaats viel weg in de uiteindelijke gedrukte versie. Het Sint-Jorispark (zie item 35) bleef behouden en werd gesplitst in noord en zuid. De Bloedmeersch werd op de kaart zelf genoteerd.
[31] Locatie van het negentiende-eeuwse treinstation, bedoeld als referentiepunt voor de lezer.
[32] De Onze-Lieve-Vrouw-ten-Puttekapel zou ontstaan zijn in de 12de eeuw ter hoogte van de wijk pottelberg. In 1791 werd de éénbeukige, bouwvallige kapel van circa 1532, heropgebouwd. In de uiteindelijke gedrukte versie vermeldt Duclos dat deze van latere tijd is.
[33] De kapel ten of ter Bloed op de wijk Pottelberg dateerde volgens Duclos van latere tijd. Toch ging ze terug op de overlevering dat Diederik van den Elzas in 1150 zou overnacht hebben in het nabijgelegen kasteel van Hoog Mosschere op zijn terugreis uit Jeruzalem met het Heilig Bloed. De kapel zelf werd verschillende keren verwoest en heropgebouwd.
[34] Vanaf 1233 (volgens Duclos 1217) had Kortrijk een leprozerie langs de weg naar Rijsel. In 1331 stond er een aan de Heilige Magdalena gewijde kapel, vermoedelijk gebouwd eind 13de eeuw. In 1784 werd het terrein van de leprozerie omgevormd tot stedelijke begraafplaats en de kapel ingericht als dodenkapel. In 1944 werd de kapel verwoest door een bombardement.
[35] Deze locatie vinden we niet terug op de uiteindelijke gedrukte versie. Het fort verwijst naar de Franse vestingswerken die in de 17de eeuw aangelegd werden. Later werd de term als toponiem gebruikt, onder meer voor een school.
[36] Groenzone ten zuiden van Kortrijk. Aan de noordzijde bevond zich de voormalige vestigingsplaats van de Sint-Joriskapel met gasthuis voor doorreizende vreemdelingen opgericht in de 14de eeuw (Duclos dateert 1352). Het gasthuis verdween in 1747 en de kapel werd afgebroken in 1813. In de uiteindelijke versie werd deze locatie opgesplitst in een noordzijde (Neveldries) en een zuideinde.
[37] Hiermee wordt het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal bedoeld ter hoogte van Budastraat 37. Duclos dateert in de gedrukte versie het begin van de dertiende eeuw. De oudste bewaarde vermelding is inderdaad van 1211.
[38] Guido Gezelle stuurde zijn handschriften of zijn auteursexemplaar van bidprentjes naar Adolf Duclos om te publiceren in Rond den Heerd, maar wou die graag terug.
[39] Hij stierf pas een jaar later op 6 juni 1882.

Register

Correspondents - persons

NameDuclos, Adolf Juliaan
Dates° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
SexMannelijk
Occupationpriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Sender

NameDuclos, Adolf Juliaan
Dates° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
SexMannelijk
Occupationpriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare

Recipient

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Place

NameBrugge
SettlementBrugge

Name - person

NameBrinck, Henri Felix Joseph
Dates° 01/11/1830 - ✝ Kortrijk, 24/01/1909
SexMannelijk
Occupationstadssecretaris; architect
BioHenri Brinck, Brusselaar van geboorte, trouwde op 15/11/1859 met Elise Marie Catherine Mussely, dochter van stadssecretaris-archivaris Charles Mussely. Hij was werkzaam te Kortrijk als neogotisch architect en leerkracht aan de academie. Hij was ook als historicus actief. In 1878 werd hij stadssecretaris en stadsarchivaris. Hij was ook secretaris van de O.L.-Vrouwparochie waardoor hij Gezelle kende. Hij correspondeerde met Gezelle en was medewerker aan het tijdschrift 'Biekorf'.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; medewerker Biekorf
NameDuclos, Adolf Juliaan
Dates° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
SexMannelijk
Occupationpriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NameDuclos, Desiderius Pieter Hendrik Cornelius
Dates° Veurne, 8/02/1816 - ✝ Brugge, 06/06/1882
SexMannelijk
Occupationapotheker
BioDesiderius Hendrik Duclos werd geboren op 8 februari 1816 te Veurne. Twee maand voor zijn huwelijk met Hortense Bogaert op 13 november 1838 vestigde hij zich als apotheker te Brugge Steenstraat 29, later 51, en op 2 december 1865 betrok hij het huis in de Mariastraat 2 Samen kregen ze vier kinderen, waarvan Adolf (1841) de oudste was, daarna Maria (1843), Anna (1850) en Jozef (1853). Vader Duclos was een van de stichtende leden van de katholieke partij (Union constitutionelle conservatrice) in Brugge. Hij stierf te Brugge op 6 juni 1882.
SourcesP. Allossery, Kan. Adolf Duclos 1841-1925. Brugge, De Plancke,1930, p.1.

Name - place

NameBrugge
SettlementBrugge

Title - other work

TitleOnze helden van 1302
AuthorDuclos, Adolf
Date1880
PlaceBrugge
PublisherDe Zuttere-Van Kersschaver

Title28/03/1881, Brugge, Adolf Juliaan Duclos aan [Guido Gezelle]
EditorKoen Calis; Universiteit Antwerpen
PrincipalEls Depuydt
Funder Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
PublisherGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Publication PlaceBrugge, Gent
Publication Date2025
Availability Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CitingKoen Calis; Universiteit Antwerpen, Duclos Adolf Juliaan aan Gezelle Guido, Brugge (Brugge), 28/03/1881. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2025 Available from World Wide Web: link .
SenderDuclos, Adolf Juliaan
Recipient[Gezelle, Guido]
Date Sent28/03/1881
Place SentBrugge (Brugge)
AnnotationAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Physical Description
Support Material 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit, vierkant geruit
papiersoort: 3 zijden beschreven, inkt
Condition volledig
Additions op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.)
Manuscript Identification
CountryBelgië
PlaceBrugge
RepositoryGuido Gezellearchief
ID Gezelle Archive5187
Library recordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11489
Content Description
IncipitReeds had ik gezeid dat die wildemans te
Text Typebrief
LanguagesNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.