Met Nieuwjaar treedt het Pennoen, het U bekende tijdschriftje dat ik sedert een paar jaren uitgeef, zijn 4de jaar in,[1] en wordt ter dezer gelegenheid vergroot en hervormd. Alle maanden 32 bl. zal het geven. Om nu ook den inhoud degelijker & beter te hebben, heb ik nieuwe medewerkers noodig Prof. Willems uit Leuven, H. Claeys,[2] St. Nicol.,[3] J. Bols, van Aerschot, Fr. Willems (Mechelen), D. Claes, Hasselt, en anderen hebben mij eens stukken beloofd.[4]
Mag ik, a.u.b. ook Gezelle's naam bij die alle voegen? Tot niets verbindt gij u, natuurlijk. Geen letter meer als 't u wel belieft, zult gij moeten geven, al wensch ik niets meer dan dikwijls van uwe hand een snipperke te krijgen. -Zoudt gij mij zoo (b.v., tegen ‘t Lente Nr van 1881, geen versje van u kunnen zenden, a.u.b.? 't Zou mij zoo gelukkig maken; al was 't ook al elders verschenen![5] In alle geval hoop ik dat gij zoo goed zult zijn mij uwe medewerking toe te zeggen.[6] Ik dank er u op voorhand voor. -Mag ik ook weten wanneer uitkomt, waarop ik heb ingeteekend? Kan ik b.v. daaruit geen proefje opnemen?...







