Heden, zondag avond,[1] hebbe ik het lastig werk volend en voltrokken, te weten 't uit schrijven van ruim drijduizend verzen.[2]
Ik hope dat er zoo veel geen verzen meer zullen veranderd, verplaatst, of overschrikkeld zijn: dat achterlaten komt meestendeels hieraf: 't is dat gij eene andere uitgave hebt als ik van Hiawada[3] en dat zij verschillen.[4] de vers die ontbreekt in Hiawatha-wooing,[5] is:
- tot zijn pijlgeweer: 'n ontzwerf niet!" -
't Is spijtig dat ik deze losse bladeren niet en hebbe kunnen titelen en teekenen met cijfers; ik heb den laatsten cijfer vergeten.
Ik vinde het ook zeer goed, mijn eerw. heer, achter den boek een glossarium te geven, ja zelfs noodig, zoo wel voor de onwetende, als voor de beknibbelaars: 'k en hebbe nog geen woorden gezien, doorgehaald in 't rood, zoo gij geschreven hebt.[6]
Toen ik den laatsten keer geschreven hebbe naar Mr Verriest hadt gij nog maar hier en de daar eenige verzen verbeterd; ook, hij vragende of ik mijnen naam gezwegen wilde of gekend, antwordde[7] ik hem dat hij mijnen naam zou gezet hebben; maar nu p2dat die zaken gekeerd zijn, nu dat gij geweerdigd hebt mijn welbevrochte,[8] ja, maar eventwel arm tierige verzen op te tooien en heel in 't nieuw te zetten; nu is het natuurlijk dat mijn naam, als naam van den vertaler, op den boek niet meer en mag gedrukt staan.
Wilt gij, mijn eerw. heer, eerst uw naam zetten, zoo gij gezeid hebt, en den mijnen er min of meer laten achter zien, dat is wel; maar het zou onrechtveerdig zijn, stond mijn naam daar, 't zij alleen, 't zij als de bijzonderste.
Zijt gij van dat gedacht niet, eerw heer?
Zoo der nog hier of daar werk te verrichten staat aan Hiawada, dat ik verrichten kan, ik ben uedele dienstveerdig
Bidde u, eerw. heer, Mr Verriest te laten weten, zoo gij hem Hiawada zendt hetgene ik over 't zetten van mijnen naam aanveerde, en weigere.
Hiermeê de zende







