Het zal UE wellicht vreemd voorkomen, dat een jongeling, (die zich met de grootste voorliefde op de Vlaamsche Dichtkunde toelegt, en; ja, hoopt ook eens zijn steentje te zullen bijdragen tot het heropbouwen van onze grootsche Litteratuur) de vrijheid neemt, UE, zonder Uwen persoon te kennen, een zijner nederige liedjes, onder 't lover der wilgjes gekweeld, uit hulde en genegenheid op te dragen. Ja, aardig moet UE dit schijnen, en met recht! Eventwel, in UE eenen echten zoon van 't oude, dierbaar. Vlaanderland herkennende, durft de maker van 't U opgedragen toontje de hoop koesteren, dat UE zijn grasbloemken in dank zal aannemen, als gegroeid op Vlaamsche bodem! Dat UE niet zoo zeer de weinige waarde, maar wel 't hart dat die toontjes dichtte, zal aanzien!
Meermalen reeds had ik met den grootsten lof hooren gewagen van G. Gezelle, den West Vlaamsche Dichter, maar nouw[1] was ik in de gelegenheid, een of 2maal, geweest, een uwer toontjes te beluisteren, (in Rond den Heerd,[2] b.v. waarin ik sinds 27 Meert, 76, 't geluk heb meê te werken als werkend lid der St. Luitg. Gilde), toen ik onlangs hetp2lieve bundeltje "Kerkhofblommen" (Davidsf.)[3] ontving. 't Was dus om zoo te zeggen 't eerst uwer gewrochten dat ik het onzegbaar genoegen had te mogen bezitten, er ook, met een onzegbaar genoegen las ik die gevoelvolle regelen[4] op den dood eens vriend[5] neêrgeschreven, die zoete harteklankjes van echt Vlaamsche snaren gevloeid. Ja, toen ik ophield, maar tegen dank, te lezen, want 'k was aan 't einde des boekjes, vond ik mij door uwe hartelijke tonen gansch verrukt, en, mijn hart, dat ook, ik aarzel niet het te zeggen, gevoel en poëzij verstaat, mijn hart..... beminde den zanger der Kerkhofblommen! En hoewel onbekend, besloot ik UE een grashalmken toe te sturen, als huldebewijs voor uwe schoone liederen, verzekerd als ik ben, dat UE., geen Vlaamsch toontje misprijzen zal, al klonk het dan ook nog zoo stroef!
In deze zoete hoop is het dan ook dat ik U mijn kleen gedichtje toe durf wijden;[6] UE terzelfdertijd mijne hulde nogmaals toezwaaiende voor al de schoone dichtperelen waarmeê UE - dit verzekeren mij de eenige Kerkhofblommen die 'k bezit en gelezen heb - het Vlaamsch rein letterpad heeft bestroeid, en zal blijven bestroeien!
P.S. 't Hier bijgevoegd gedichtje[7] zal waarschijnlijk in 't jaarboekje dat het studentengenootschap de "Jonge Taalvrienden" gaan uitgeven, verschijnen. Zou UE mij gelieven te laten weten of het mij geoorloofd is, erbij te voegen: opgedragen aan den Eerw. Heer G. Gezelle,[8] en of wij niet op een lief stukje van Uwe lier,[9] als medewerking, steun, en pand van welgelukken, zouden mogen rekenen? Onze warmste dankbaarheid zou UE toehooren! - Indien het niet te veel durven is, dan zou ik UE een of 2 regelkens antwoord hierop durven verzoeken, a.u.b.. Ziehier in alle geval, mijn adres
Den Heere Ottevaere
Beggijnenstrate, tot Mechelen.[10]
Voor P. de Mont, student.[11]*p1Ook durf ik verhopen, Weleerw. Heer, dat UE zal gelieven ons met zijnen besten raad bij te staan, zoo mogelik, in 't ontwerp van Studenten landdag[12] door d'ondergeteekende opgevat, en ondernomen met mijnen vriend Segher Malfait, student te Loven, die, meen ik, UE reeds hiervan een woordje schreef.[13]
PDeM.
D'avoir la face blanche & six ailes d'or fin![15]
aug. Barbier.
Ginds schijnt de zilveren maan;
Reeds klepte 't avond kloksken
En ik heb mijn béken gedaan!
Kom, Moederken, wijl het lampje
Op 't zwarte schouwbord gloort,
Vertel mij, op uw schootje,
Van 't zalig Hemeloord;
Vertel mij van dat Hofken
Waar Alles zoo schoone moet zijn!
En laat me zoetjes rusten
Op uw kloppend hartekijn... —[17]
Van Jesukens zalige woon;
Zoo.... leg uw kleene wangjes
Op moederkens warme koôn;
Denk aan den gulden Engel
Die met beminnend oog
Zoo vaak in uwe droomen,
Zich over uw wiegsken boog;
Denk ook aan 't kindeken Jesus
Die U het Engelken zond....
En gun mij nu eerst een kusje
Van uwen rozenmond........
Veel hooger dan 't Maantje gloort,
Bestaat een Zalig Hofken:
Het tooverend Hemeloord!
Geen leeuwerik die op aarde
Het vleugelkenspaar bewoog,
Die ooit, op honderd jaren,
Tot ginder opwaarts vloog! -
Dáar, op een bont tapeetje
Van bloempjes[18] als honig zoet,
Een zilver vlietje zijn baartjes
Betooverend murmelen doet;
Dáar op een donzig beddeken
Van glinsterend gouden zand,
Daar spelen duizend wichtjes
Met marbelkens van diamant;
Daár bloeien langs de paadjes.
De bloemkens altijd voort;
Dáar heerscht een Eeuwige Lente
Door vorst noch koude gestoord!
Dáár blijft 't geplokken[19] bloempje
Toch even lachend en rood,
En 't bezeken dat men nuttigt,
Veroorzaakt nooit den dood!
Dáár, onder purperwolkjes,
Op eenen gouden troon,
p4Zit 't Goddelik kindje Jesus
Met schepter en met kroon;
Zijn kleedje van hemelsche zijde
Verdooft den starrekens vuur,
En blauwer is zijn mantelken
Dan 't blommeken van Lazuur;
Zijn lokjes zijn omstrengeld
Met bloempjes van diamant;
Een krans van gulden vliegjes
Versiert zijn kleene hand;
Zijn oogekijns zijn zoeter
Dan 't maantjen in den nacht;
Zijn lippeken bloost als 't roosken
Dat in de weede lacht....
Rond Hem, op bonte schachtjes
Waarvan bij iederen stond
Een zilveren starrenregen
Zacht nederruischt ten grond,
Daar wemelen, al jubelend,
Millioenen Geestjes dooreen,
Met hagelblanke manteltjes
Om hunne ranke leên...
Hun mondjes schateren zoetjes
Als nachtegaaltjes lied;
Hun kijkerkens zijn reiner
Dan 't kristallijn der vliet;
Op goudgewolde lammekens,
Al rijdend, elk overhand,
Bestroeien zij met loverkens
Den frisschen waterkant;
Met eene zilveren Sikkel[20]
Schoon als de boog der maan,
Zoo snijden zij in de velden
De blommekens uit het graan;
En worden hunne voetjes
Van 't huppelen eindelijk moê,
Dan luiken zij ter ruste
Hun heldere oogskens toe;
Dan nadert Jesukens moeder,
En op een wolkje kleen,
In eén beddeken van rozen,
Draagt zij hem zachtjes heen;
1 Of, met een gazen[21] sluier
4 Van hunne wangjes rood,
3 Jaagt zij de vliegjes henen,
2 Hem wiegende op haren schoot,[22]
En in haar moederlike armen
Tot weêr de dag verschijn’,
Zoo rusten zij, beschemerd
Door menig starrekijn....-
Waar alle de wichtjes gaan
Die braafjes hier bewandelen
Des Heeren rechte baan;
En zoo ge ook braaf wilt wezen
In 's werelds smartwoestijn,[23]
Dan zult ook gij eens bij Jesuken
Een schitterend Engelken zijn!







